Alle berichten van admin

Ontwerp van een interdisciplinaire blended professionalisering voor pabo-opleiders taal en W&T

Anna Hotze & Edith Louman, Hogeschool iPabo
Martine Gijsel & Maaike Vervoort, Saxion
Sylvia Peters & Anneleen Post, Eduseries

Wetenschap en technologie (W&T) verdient meer aandacht in het basisonderwijs in Nederland en Vlaanderen, maar gezien het volle curriculum is dat niet eenvoudig. Integratie met andere domeinen, zoals taal, kan uitkomst bieden. Om aankomende leerkrachten op te leiden om geïntegreerd taal- en W&T-onderwijs te geven, is een interdisciplinair professionaliseringstraject voor pabo-opleiders taal en W&T ontwikkeld in de vorm van ‘blended leren’. In deze bijdrage beschrijven we het ontwerp hiervan en de ervaringen ermee in de praktijk.

Naar artikel

Blended Learning in de lerarenopleiding: van governance tot transitie

Andy Thys, CVO De Oranjerie & KU Leuven
Bram Pynoo, Vrije Universiteit Brussel
Jo Tondeur, Vrije Universiteit Brussel & Universiteit Gent

De lerarenopleiding in Vlaanderen wordt grondig hervormd: lerarenopleiding worden ingeschaald op Bachelor en Masterniveau met als gevolg dat de lerarenopleidingen in Centra voor Volwassenenonderwijs (CVO) indalen in hogescholen en  universiteiten. Om dit transitieproces te faciliteren werden door de Vlaamse Overheid middelen voorzien om transitieprojecten te financieren. Dit artikel geeft een helikopterzicht over het intensief proces dat gelopen werd binnen het Brusselse samenwerkingsverband EduXL door lerarenopleiders uit vier verschillende opleidingen (én instellingen) in het kader van het transitieproject GO21. Binnen het hier geschetste project staat de vraag centraal: Hoe kunnen we een gedeelde visie op ’blended learning’ ontwikkelen?
In een eerste deel wordt er aandacht besteed aan de context en de gebruikte terminologie (vb. transitie, ’blended learning’ en governance). Hierbij aansluitend worden in een tweede deel de percepties van lerarenopleiders ten aanzien van ’blended learning’ in Vlaanderen in kaart gebracht. Hiertoe werd een vragenlijstonderzoek gevoerd waartoe alle Vlaamse lerarenopleidingen werden uitgenodigd. Dit onderzoek toont aan dat er grote verschillen zijn tussen types lerarenopleidingen met betrekking tot ’blended learning’ en de mate waarin er reeds een beleid rond ’blended learning’ of de integratie van 21e eeuwse vaardigheden uitgewerkt is. Vervolgens toont dit artikel hoe een tweetal ontwikkelde instrumenten (QuickScan en Pilootmodule) kunnen bijdragen aan de zoektocht naar een gemeenschappelijke visie (op Blended Learning). Een uitleiding probeert een aantal acties (en aspiraties) voor de toekomst mee te geven.

Naar het artikel

Opleiden voor de toekomst: hoe praten over onderzoek professionele ruimte creëert

Hanna Westbroek, Bregje de Vries, Wilma Jongejan, Anna Kaal & Iris Pauw, Vrije Universiteit Amsterdam, Universitaire lerarenopleiding

In deze bijdrage houden we een pleidooi voor het verruimen van de blik op onderwijsonderzoek:
naast onderzoek dóen, kan práten over onderzoek de essentie zijn voor het slaan van een effectieve brug tussen onderwijsonderzoek en daarop gebaseerde of daardoor geïnspireerde vernieuwingen in de eigen onderwijspraktijk. Onderwijsonderzoek vormt een belangrijke motor voor vernieuwing. Als lerarenopleiders van de eerstegraads lerarenopleiding van de VU ontwikkelden we een nieuw vak gericht op het leren waarderen en gebruiken van onderwijsonderzoek. Het vak past wat ons betreft in een visie op het leraarschap waarin docenten zelfverantwoordelijk zijn, beslissingskracht hebben, en kennis uit onderzoek gebruiken bij het onderbouwen en uitwerken van hun onderwijs.
In het nieuwe vak staan twee ontwerpprincipes centraal: 1) het maken van een visuele representatie van een representatieve les, en de doelen die de docent-in-opleiding aan de lesonderdelen verbindt (het doelsysteem van een representatieve les); 2) gerichte dialoog
over kwaliteit en praktische bruikbaarheid van onderzoeksartikelen en vakbladartikelen. We gaan eerst kort in op de waargenomen kloof tussen onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk, en spitsen dat toe op de vraag wat praktische bruikbaarheid van onderzoek betekent vanuit het perspectief van docenten. Vervolgens laten we zien hoe we dit concept operationaliseren in werken met het doelsysteem. We bespreken vervolgens de twee ontwerpprincipes aan de hand van de casus van Jamila, een docente-in-opleiding Engels. Evaluatiegegevens laten zien dat de docenten-in-opleiding het vak overwegend positief waarderen en dat de leerdoelen over het algemeen behaald worden.

Naar artikel

Een opleiding vol innovatie: een leerlijn onderzoekend handelen

Kaat Verhaeghe, Bert Wastijn & Geert De Raedemaeker
Erasmushogeschool Brussel

Lerarenopleidingen kunnen hun studenten niet alles bijbrengen wat ze later in de complexe onderwijspraktijk nodig hebben. Een snel veranderende samenleving wordt het toneel waarop leerkrachten spelen. Deze samenleving wordt weerspiegeld door een groeiende kenniseconomie, boeiende uitdagingen, digitale werelden, een  veranderend kindbeeld… Dit vraagt een basishouding die niet als vanzelfsprekend kan worden aangenomen. Onderzoek naar innovatie is cruciaal voor deze professional om zicht te krijgen op de praktijk en die blijvend te vernieuwen. De recente opleiding  Pedagogie van het jonge kind (PJK) aan de Erasmushogeschool kiest daarom resoluut voor een leerlijn onderzoekend handelen die innovatie in de praktijk centraal zet door praktijkgericht onderzoek met studenten, werkveld en docenten te realiseren. Het artikel vertrekt vanuit de context van de lerarenopleidingen en de opleiding PJK binnen het departement Onderwijs en Pedagogie aan Erasmushogeschool Brussel. Daarna komt de leerlijn Ontwikkelen door Onderzoeken binnen de opleiding PJK aan bod en wordt beschreven hoe deze leerlijn opgesplitst over drie deeltrajecten heen, de student aanzet tot mini-onderzoeken en een praktijkgerichte en innoverende bachelorproef samen met het werkveld. Hierbij gaat de aandacht zowel uit naar de  expliciete inbedding als de impliciete verankering binnen de opleiding. Ook de vertaling van de leerlijn naar de lerarenopleidingen komt aan bod.
Tot slot wordt het praktijkvoorbeeld afgesloten met enkele kritische reflecties. Deze hebben als doel de onderzoekende praktijk in hogescholen in vraag te stellen. Ze willen inspireren, sterktes tonen en de valkuilen aanraken. Deze vragen vormen het einde, maar ook een nieuw begin van de innovatiecyclus.

Naar artikel

Mbo-docenten toekomstgericht opleiden door samen te werken en te leren

Marloes van Bussel, MBO Raad Woerden & CINOP, ’s Hertogenbosch
Patricia Brouwer, ECBO, ’s Hertogenbosch
Monique de Ridder, Windesheim Zwolle
Ilya Zitter, Hogeschool Utrecht

Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) neemt van oudsher een belangrijke sleutelpositie in op de arbeidsmarkt. Nauw verbonden met het regionale bedrijfsleven voorziet ze in de behoeftes die deze bedrijven hebben op het gebied van het opleiden van praktisch opgeleide medewerkers. Al jaren is de arbeidsmarkt echter enorm in beweging; denk alleen al aan technologische ontwikkelingen als ‘artifical intelligence’ en robotisering (Koolmees & Van Engelshoven, 2018) of aan de toenemende behoefte aan complexe zorg voor het groeiend aantal ouderen. Dit heeft zijn weerslag op de arbeidsmarkt en er is hierdoor grote behoefte aan wendbare vakmensen (Coenders, 2016). Onstenk en Van Veldhuizen (2017) stellen dat leren in de praktijk een belangrijke voorwaarde is voor de ontwikkeling van vakmanschap. Het leren en de begeleiding van leren, dat in het beroepsonderwijs plaatsvindt op school én op de werkplek (Aalsma, 2017), maakt het mogelijk in te spelen op de veranderingen op de arbeidsmarkt. Ontwikkelingen in de maatschappij hebben door deze integrale aanpak van werken en leren consequenties voor het mbo, mbo-docenten en dientengevolge ook voor de lerarenopleiding voor mbo-docenten.
Om deze dynamische interactie tussen maatschappij, beroepspraktijk en mbo beter vorm te geven, zijn de afgelopen jaren meerdere initiatieven gestart voor het verbeteren van het opleiden van mbo-docenten. In dit artikel bepleiten we dat, hoewel er belangrijke stappen gezet zijn, deze verbetering in de lerarenopleiding van mbo-docenten nog verder vorm kan krijgen. Om mbo-docenten van de toekomst goed op te kunnen leiden is het noodzakelijk dat de beroepscontext sterker bij de lerarenopleiders en lerarenopleidingen terug te vinden is en continu wordt aangepast aan de dynamiek van de beroepenwereld. Het model van ‘boundary crossing’ (Akkerman & Bakker, 2011) biedt goede inzichten hoe vanuit samenwerking de aansluiting met de beroepspraktijk beter kan. Inzichten die zowel vruchtbaar zijn voor de lerarenopleidingen en hun onderwijspraktijk als voor de mbo-opleidingen en hun beroepspraktijk. In dit artikel schetsen we eerst hoe het mbo in die dynamische context eruitziet. Daarna lichten we toe wat een mbo-docent moeten kunnen en kennen om in deze context goed mbo-onderwijs te kunnen verzorgen. Tot slot laten we zien hoe  lerarenopleidingen en mbo-scholen gezamenlijk met behulp van ‘boundary crossing’ mbo-docenten daartoe goed kunnen voorbereiden.

Naar artikel

De leraar aan het stuur

Empowerment van leraren in de praktijk

Leo van Hoorn & Jan Marten Praamsma, Christelijke Hogeschool Ede

In de Master Leraar Godsdienst/Levensbeschouwing aan de Christelijke Hogeschool Ede,volgen de studenten het  studieonderdeel ‘schoolontwikkelingsproject’. In deze module leren studenten hoe ze de rol van ‘change agent’ kunnen vervullen in de school. Studenten gaan zelf aan de slag in de school en ontdekken zo dat organisaties, protocollen en systemen geen autonome structuren zijn, die slechts onderwerping en gehoorzaamheid vragen, maar dat ze daar zelf sturing aan kunnen geven en zo mede regisseur kunnen zijn.
Ook ervaren ze daarin de frustratie van de traagheid van processen, de moeite om die processen in beweging te krijgen en de resultaten te verduurzamen, de noodzaak om de randvoorwaarden te creëren om te kunnen veranderen, de vreugde en het verdriet van de samenwerking met collega’s en leidinggevenden. Studenten leren bovendien onderscheid te maken tussen onderwijsvernieuwing en onderwijsverbetering door verandering niet op te vatten als een technische operatie, maar voortdurend expliciet te blijven verbinden met onderliggende visie op goed onderwijs. Maar vooral ontdekken ze dat het de moeite waard is om te dromen, te experimenteren en onderwijs beter te maken. Zo werken we gezamenlijk aan empowerment, het nemen van eigen verantwoordelijkheid, professionele kracht en beroepstrots.

Naar artikel

Onderwijsvernieuwing is een werkwoord

Opleiden voor geëngageerde vernieuwingspraktijken

Geert Kelchtermans, KU Leuven, Centrum voor Onderwijsvernieuwing en de Ontwikkeling van Leraar en School (COOLS)

Lerarenopleiders staan voor de taak hun studenten voor te bereiden op de spanning tussen verandering en stabiliteit die het onderwijsveld typeert. Tijdens hun loopbaan worden
leraren immers onontkoombaar geconfronteerd met onderwijsvernieuwingen. Op basis van eigen en internationaal onderzoek, analyseert de auteur het fenomeen  onderwijsvernieuwing, dat hij omschrijft als “het proces van het doelgericht veranderen van onderwijsleerpraktijken of de condities die de vormgeving ervan bepalen, met de bedoeling het onderwijs en de vorming van de betrokken leerlingen of studenten te verbeteren.”
Achtereenvolgens bespreekt hij het praktijk- en proceskarakter van vernieuwingen, de centrale rol van betekenisgeving en normativiteit en de tijd-ruimtelijke context waarin ze altijd gesitueerd zijn. In de weerstand tegen vernieuwingen worden die verschillende elementen en hun samenhang concreter geïllustreerd. Concluderend stelt de auteur dat leraren in hun implementatiepraktijken altijd een feitelijk antwoord geven op een welbepaalde reeks vragen: normatieve, politieke, strategische, creatieve, effectiviteits- en verklaringsvragen.
Vervolgens schetst de auteur hoe deze vragenreeks leidraad en structuur kan bieden voor de praktijk in de initiële lerarenopleiding. Hij breekt eerst een lans voor het reflectief modelleren door lerarenopleiders van hun eigen praktijk in het omgaan met vernieuwingen.
Een volgende stap is het maken van gevalsanalyses van de  vernieuwingspraktijken van ervaren leerkrachten als een oefening in brede en diepe reflectie. Tenslotte bespreekt hij hoe de eigen vernieuwingspraktijk -bijvoorbeeld tijdens stages- studenten toelaat hun inzicht te verdiepen. De concrete ervaring en kritische analyse van onzekerheid, onbehagen, loyaliteitsconflicten, bedoelde en onbedoelde neveneffecten…, vormen evenveel krachtige kansen om hun professionaliteit te ontwikkelen. Onderwijsvernieuwing blijft een werkwoord.

Naar artikel

Het gebruik van een kijkwijzer bij stagelessen vroeg vreemde talenonderwijs Engels

Karin Winkel & Niek van den Berg, Hogeschool Rotterdam

Voor de stagebegeleiding bij de lessen Engels van de eerstejaars studenten van de Pabo van de Hogeschool Rotterdam (HR) is op basis van de landelijke Standaard Vroeg Vreemde Talenonderwijs Engels (Europees Platform, z.d.) een kijkwijzer ingezet. De docenten Engels van de Pabo HR verwachtten hiermee richting en ondersteuning te bieden voor het werken met de didactische principes die aan vroeg vreemdetalenonderwijs (VVTO) ten grondslag liggen. De kijkwijzer is onder meer bedoeld als hulpmiddel voor studenten en hun begeleiders. Voor studenten is het een kijkkader aan de hand waarvan ze betekenisvol kunnen reflecteren op hun handelen. De begeleiders van zowel de stagescholen (mentoren) als van de Pabo HR kunnen de kijkwijzer gebruiken om hun feedback te karakteriseren. In 2015 bleek in de praktijk echter dat zowel de studenten als de basisschoolmentoren aangaven het instrument niet of nauwelijks gebruikten.
We willen graag dat het instrument meer wordt ingezet. Om te bezien hoe het gebruik kan worden gestimuleerd is onderzoek gedaan bij de verschillende stakeholders. Uit dit praktijkonderzoek blijkt dat de kijkwijzer potentie heeft als begeleidingsinstrument en dat deze daarnaast als inspiratiebron dient voor zowel studenten als de stagebegeleiders op de basisscholen. Ook blijkt dat zowel aanpassingen van het instrument zelf als procesinterventies voor het gebruik ervan wenselijk zijn.
Na het onderzoek is het instrument aangepast en geeft het (meer) richting aan zowel de lespraktijk (voorbereiding, uitvoering, reflectie) als de begeleiding van de lessen op de stagescholen.

Naar artikel

Het effect van een evidence based leereenheid W&T op de pabo

Monique Rouweler & Symen van der Zee, Saxion University of Applied Science
Hans Luyten & Martina Meelissen, University of Twente

Om pabostudenten goed toe te rusten onderwijs in Wetenschap en Technologie (W&T) te ontwerpen en verzorgen, zijn pabo’s bezig hun curriculum anders in te richten. In deze studie is een nieuwe leereenheid op het gebied van W&T ontwikkeld op basis van de wetenschappelijke kennisstand omtrent doeltreffend opleiden van leraren en de kenmerken van effectief W&T onderwijs in het basisonderwijs. De effectiviteit van de nieuwe leereenheid op de ontwikkeling van vakkennis, de toepassing van effectieve leraarstrategieën, de attitude ten aanzien van W&T en de ‘science teaching self-efficacy’ is onderzocht in een quasi-experimentele studie. Verder is onderzocht in welke mate elementen van de nieuwe leereenheid hebben bijgedragen aan de  competentieontwikkeling van pabostudenten op het gebied van W&T.
De resultaten laten zien dat de nieuwe leereenheid significant bijdraagt aan de ontwikkeling van de self-efficacy van pabostudenten en de vakkennis. Met name het analyseren van leerlingenwerk, het observeren van anderen en reflecteren hierop, en het samenwerken met medestudenten, werd door de pabostudenten in de experimentele groep als waardevol ervaren.
Aanleiding en probleemstelling In tegenstelling tot landen zoals Amerika, Engeland, Zweden en Australië, kent het Nederlandse onderwijs geen stevige traditie op het terrein van ‘science’ onderwijs. De laatste jaren is door overheid, bedrijfsleven en ook onderwijswetenschappers het belang van W&T onderwijs
benadrukt (zie bijv. Techniekpact, 2013). W&T wordt belangrijk
geacht in het licht van de tekorten in de bèta en technische velden
en ‘scientific literacy’ van de samenleving. Verschillende studies
concluderen dat in het Nederlandse basisonderwijs een kwaliteitsslag gemaakt moet worden (zie bijv. Martin, Mullis, Foy, & Stanco, 2012; Van Uum & Gravemeijer, 2012). Over het algemeen is er weinig tijd voor W&T, gemiddeld slechts 42 uur per jaar. Dit ligt ver onder het internationale gemiddelde van 85 uren (Martin, Mullis, Foy, & Stanco, 2012). Daar komt bij dat in plaats van onderzoekend te leren, hetgeen doeltreffend is voor het leren (Alfieri, Brooks, & Tenenbaum, 2011), er vooral wordt geleerd uit tekst- en  werkboeken. Aangezien de leraar de grootste invloed heeft op het leren (Hattie, 2009), wordt gefocust op leraarprofessionalisering om het W&T onderwijs een kwaliteitsimpuls te bieden. Ook pabo’s zijn bezig hun onderwijs anders in te richten (Van Casteren, Broek, Hölsgens, & Warps, 2014). In deze studie is een W&T leereenheid voor pabostudenten ontwikkeld en is nagegaan wat daarvan de effecten zijn.

Naar artikel

Het fysieke aspect van reflectie

Een speelse ingang tot betekenisvol leren
van leraren

Hartger Wassink, NIVOZ, Driebergen
Corma Ruijgrok & Babs Hermsen, Hogeschool Utrecht, Instituut Archimedes

Reflectie vormt in Nederlandse lerarenopleidingen een centraal onderdeel van het leerproces voor leraren in opleiding. Hoewel het belang ervan breed onderschreven wordt, hebben lerarenopleiders soms moeite om reflectie betekenisvol te maken voor  studenten. Reflectie lijkt daardoor niet in alle gevallen de verdiepte leerervaring te bieden, die docenten van de lerarenopleiding studenten beogen te geven (Korthagen, 2014; 2017).
In dit artikel willen we verkennen, hoe reflectie meer betekenisvol voor studenten gemaakt kan worden, door in aanvulling op gangbare vormen van reflectie, het fysieke aspect van reflectie te benutten. Dit verbreedt zowel de mogelijkheden in de vorm waarin reflectie plaats kan vinden, als de inhoud van de reflectie zelf. We verkennen theorie die de toegevoegde waarde van het fysieke aspect van reflectie kan helpen onderbouwen en geven twee voorbeelden van manieren om te werken met het fysieke aspect tijdens reflectie in de lerarenopleiding.

Naar artikel

Beste artikel 2016

De prijs voor het beste artikel in het Tijdschrift voor Lerarenopleiders 2016 is uitgereikt.

De eerste prijs is gegaan naar een grote groep auteurs: Hanne Tack en Ruben Vanderlinde met hun artikel De Masterclass ‘Lerarenopleiders Onderzoeksvaardig’, in combinatie met de praktijkbijdragen van:  Sophie Vyncke (Gewoon leraar of toch leraar van leraren?!), Jan Strybol en Joke Janssens (Een praktijkonderzoek naar één-op-één communicatie met leerlingen), Joke Hurtekant en Joris Pauwels (Balanceren tussen spanningsvelden), Hilde Meysman en Griet Mathieu (Ontwikkelen van onderzoeksculturen in de lerarenopleidingen).

De tweede prijs werd uitgereikt aan Vincent Klabbers voor zijn artikel Beeldbegeleiding als opleidingsdidactiek.

De derde prijs was voor Judith Stappers en Bob Koster met hun artikel Intervisiebijeenkomsten op de werkplek: een meerwaarde voor de professionele identiteit?

Tijdens het Congres voor Lerarenopleiders in Amsterdam overhandigde hoofdredacteur Gerda Geerdink namens de jury een oorkonde en een boekenbon aan de winnaars.

Van harte gefeliciteerd!

Communiceren met verstand van zaken

Christine Kemmeren, Hogeschool Edith Stein/OCT Hengelo

In de discussie over competentiegericht opleiden is het niet altijd duidelijk welke rol kennis speelt bij het verwerven van competenties en welk type kennis wordt bedoeld. In het publieke debat wordt ‘competentie’ gemakkelijk gelijk gesteld aan ‘vaardigheid’ en wordt de tegenstelling competentie-kennis geponeerd. Naar onze mening is dat een misvatting en maakt kennis wezenlijk onderdeel uit van competenties. In dit artikel geven we een voorbeeld van competentiegericht opleiden, waarbij conceptuele kennis een vanzelfsprekend onderdeel is. Op de Hogeschool Edith Stein/Onderwijscentrum Twente, een opleiding voor leraren primair onderwijs, is in het project Colevi 1) (red. Bakx & Van den Berg, 2005) onderzoek gedaan naar een competentiegerichte benadering van het onderwerp ‘Communiceren met ouders’ . Op grond van de positieve resultaten van dit onderzoeksproject is een onderwijsarrangement ontworpen en geïmplementeerd. Beschreven wordt hoe dit specifieke onderwerp in het curriculum is verankerd, welk didactisch model wordt gehanteerd en welke ervaringen zijn opgedaan. We beogen hiermee professioneel gedrag op basis van kennis te stimuleren door een verbinding te bewerkstelligen tussen professioneel handelen en conceptuele kennis.

Naar artikel

Narratieve reflectie: leren van je stageverhalen

Ietje Pauw, Katholieke Pabo Zwolle
Piet-Hein van de Ven. ILS, Radboud Universiteit

In 2008 zijn we op de Katholieke Pabo Zwolle begonnen met het geven van lessen reflectie aan eerste- en tweedejaarsstudenten. Dit initiatief is een direct gevolg van het promotieonderzoek van Pauw (2007). In haar onderzoek maakte ze aannemelijk dat studenten niet vanzelf kunnen reflecteren, maar dat ze dat moeten leren. Verder bleek onduidelijk wat onder reflecteren moet worden verstaan en kwam naar voren dat het model van Korthagen (onder meer Korthagen e.a., 2002) niet goed functioneerde. Het bleek kortom nodig een reflectiedidactiek te ontwikkelen. Pauws bevindingen werden empirisch ondersteund in het onderzoek van Van der Leeuw (2006) en kregen op een meer theoretisch niveau steun van Van de Ven (2009). Het uitgangspunt voor een reflectiedidactiek is Pauws (2007:155) omschrijving van reflectie: Reflecteren is nadenken over wat je op wat voor manier gedaan hebt in onderwijsleersituaties en waarom je dat op deze manier gedaan hebt, met het doel tot (nieuwe) inzichten te komen; inzichten in/over jezelf en je eigen leren en ontwikkeling, in relatie tot de maatschappij waarin je leeft; inzichten in/over je leerlingen en hun leren en ontwikkeling in relatie tot de maatschappij waarin je leeft; inzichten die handvatten bieden voor verbetering. In deze omschrijving wordt de noodzaak van reflecteren geïmpliceerd: reflecteren is nodig om jezelf verder te ontwikkelen op basis van praktijkervaring. Dat ‘reflecteren’ wordt gedefinieerd als nadenken, impliceert dat het een cognitief proces is, waarbij cognities – theorie – een rol spelen in de ontwikkeling naar nieuwe cognities: nieuwe kennis, inzichten, opvattingen. Een reflectieverslag is dus een verslag van het denkproces van de student, hij denkt na over wat hij, op wat voor manier, gedaan heeft in onderwijsleersituaties en waarom hij dat op deze manier gedaan heeft. In dit artikel beschrijven we ‘narratieve reflectie’ als het uitgangspunt in de lessen. We laten daarna zien hoe een student op basis van deze didactiek een reflectieverslag vormgeeft.

In gesprek met staatssecretaris van Bijsterveldt

In het kader van dit themanummer zijn we als themaredactie niet alleen geïnteresseerd in de praktijk van opleiden in de school en in het onderzoek dat hiernaar wordt verricht, maar ook zijn we nieuwsgierig naar hoe het Ministerie van OC&W kijkt naar de actuele ontwikkelingen. Dat was de aanleiding om begin oktober bij staatssecretaris Van Bijsterveldt in Den Haag op bezoek te gaan.

Naar interview

Thematisch werken geeft ruimte

De kracht van de competentiegerichte opleiding van Fontys Pabo ‘s-Hertogenbosch

Mariken van Roosmalen-Noppen & Joost van Berkel, Fontys Pabo ‘s-Hertogenbosch

Het lijkt logisch: door op een pabo thematisch te werken zorg je voor betekenisvol onderwijs. Maar, werkt het zo eenvoudig?
Studenten en docenten van Fontys Pabo ‘s-Hertogenbosch zien het thema-aanbod als de kern van het onderwijs. In het opleiden van leerkrachten streven we met ons competentiegericht en vraaggestuurd curriculum naar betekenis, integratie en authenticiteit. Wat zijn de factoren die ervoor zorgen dat thematisch onderwijs echt toegevoegde waarde heeft?
We vinden deze in het onderwijsconcept, de rol van de docent en student, de kracht van ontwikkelingsgerichte feedback en de samenwerking tussen de werkplek en de opleiding. We beschrijven in dit artikel hoe het thematisch werken binnen Fontys Pabo ‘s-Hertogen-bosch is ingericht, wat het heeft opgeleverd voor de betrokkenen en welke aanbevelingen we doen aan opleiders. In dit artikel zoomen we in op de propedeuse, omdat we vooral in die studiefase werkzaam zijn.

Naar artikel

En wat als … kritisch reflecteren niet vanzelfsprekend is?

Jean-Claude Callens, VIVES, Onderwijs&Kwaliteit / KU Leuven, CIP&T
Jan Elen, KULeuven Centrum voor Instructiepsychologie en -technologie

Aan studenten in de lerarenopleiding (en leraren) wordt zeer geregeld gevraagd te reflecteren, en meer bepaald wordt hierbij verwacht dat ze een niveau van kritisch reflecteren bereiken. Kritisch reflecteren wordt vaak omschreven als het eindpunt van een groeiproces in verschillende fases. Onduidelijk is evenwel of empirisch een opeenvolging van verschillende fases kan worden aangetoond. 596 reflecties uit vier verschillende studies met studenten in de lerarenopleiding werden in een secundaire analyse samengenomen. Op basis van de resultaten uit dit onderzoek blijkt dat:

  1. participanten gemiddeld zeer laag scoren op kritisch reflecteren en
  2. de idee van opeenvolgende fases met als eindpunt kritisch reflecteren niet kan worden bevestigd

Focusverschuiving is een omschrijving die waarschijnlijk meer aansluit bij de empirische vaststellingen. Zo blijkt bijvoorbeeld dat startende studenten zich in hun reflecties meer -in vergelijking met derdejaarsstudenten- richten op technische aspecten van het lesgeven; en derdejaars- studenten meer op de structurele en organisatorische context van een school. Op basis van de resultaten van dit onderzoek worden in het besluit mogelijke implicaties voor de begeleiding van studenten beschreven.

Naar artikel

De onderzoeksrol voor lerarenopleiders in het HBO: een internationaal perspectief

Fer Boei & Martijn Willemse, Christelijke Hogeschool Windesheim, Zwolle
Gerda Geerdink, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen
Quinta Kools, Fontys Lerarenopleiding Tilburg
Haske van Vlokhoven, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen1

Onderzoek doen en leraren opleiden die hun eigen beroepspraktijk onderzoekend kunnen vernieuwen is een relatief nieuwe taak voor lerarenopleiders binnen de hogescholen in Nederland en Vlaanderen. Internationaal hebben zich eerder vergelijkbare ontwikkelingen voortgedaan. Hieruit zijn drie thema’s te destilleren die ook voor de Nederlandse en Vlaamse context relevant zijn, namelijk de positionering van de lerarenopleidingen in het bestel van het hoger onderwijs, de veranderende rol en taken van de lerarenopleider en de verschuivingen in de onderzoeksopvatting.
In dit artikel schetsen we kort het waarom van de nieuwe ontwikkelingen en zullen we verder ingaan op de drie thema’s. Op basis hiervan zal een aantal gemeenschappelijke aandachtspunten bij de implementatie van de onderzoeksfunctie worden beschreven. Deze aandachtspunten zijn: (1) aandacht voor discussie over de definitie van onderzoek en de rolopvatting van de opleiders, (2) aandacht voor de professionele ontwikkeling en de ruimte om onderzoek uit te proberen en (3) het creëren van de juiste randvoorwaarden.

1. De auteurs maken deel uit van de VELON themagroep: Professionaliseren van lerarenopleiders in en door onderzoek.

Naar artikel

Schrijfidentiteit en schrijfsucces: leraar en opleider als model

Anjette van de Ven, Christelijke Hogeschool Windesheim, Zwolle

De inspectie maakt zich zorgen over de kwaliteit van het schrijfonderwijs in Nederland. Zij ziet bij het leren schrijven van zakelijke en verhalende teksten onder meer een verbeterpunt in leraargedrag. Dat gedrag uit zich echter niet alleen in gekozen aanpak en didactiek. Leraargedrag is verbonden met het beeld dat de leraar, bewust of onbewust, heeft van zijn eigen schrijverschap. Volgens onderzoek blijken leraren weinig zelf te schrijven. De vraag is dan hoe zij modelgedrag kunnen laten zien. Voor een fundamentele verbeterslag is het nodig dat leraren zich bewust zijn van hun schrijfidentiteit.
Die identiteit betreft het geheel van expliciete en impliciete schrijfopvattingen van de leraar, zijn schrijforiëntatie die zich uit in de keuzes rondom instructie in de klas en zijn leraareffectiviteit met betrekking tot schrijfonderwijs. Deze beschouwing bevat een pleidooi voor verkenning, bewustwording en analyse van schrijfidentiteit en de betekenis ervan voor het handelen in de klas. Lerarenopleiders hebben hierbij een inhoudelijke en coachende functie. Zij kunnen met behulp van kennis over schrijfidentiteit, instrumenten als schrijfautobiografieën en voorbeeldgedrag (aanstaande) leraren beter toerusten voor effectief en motiverend schrijfonderwijs.

Naar artikel

Toekomstige leraren voorbereiden op onderwijs in een grootstad

Sarah D’Hondt, Brussels Expertisenetwerk Onderwijs
Rudi Janssens & Katrien Struyven, Vrije Universiteit Brussel

Hoe kan de lerarenopleiding toekomstige leraren efficiënt voorbereiden op het lesgeven in een grootstedelijke context? Dat is de initiële vraag van deze beschouwing. De opdracht van de hedendaagse leraar in de grootstad is immers veelzijdig en vraagt een aangepaste taakinvulling. Concreet stellen we ons de vraag in hoeverre het huidige competentieprofiel van de leraar aansluit bij de behoeften van de beginnende leraar in de grootstad. Vertrekkende van de internationale literatuur over grootstad en onderwijs, situeren we de Brusselse eigenheid en wordt via een inhoudsanalyse van de huidige basiscompetenties in Vlaanderen en Nederland gekeken hoe deze aangevuld kunnen worden met als doel als leraar optimaal te functioneren in een veranderende, pluriforme samenleving.

Naar artikel

Leren van de toetsing van de kennisbasis rekenen-wiskunde

Ronald Keijzer, Hogeschool iPabo, Amsterdam/Alkmaar
Dirk de Vries, Hanze Hogeschool, Groningen

De Nederlandse lerarenopleidingen basisonderwijs zijn druk bezig met de implementatie van de kennisbasis rekenen-wiskunde, die de wiskundekennis van aanstaande leraren beschrijft. Dit artikel beschrijft hoe het gezamenlijk analyseren van rekenwerk van studenten door lerarenopleiders rekenen-wiskunde een bruikbaar middel blijkt om het opleidingsonderwijs dat past bij de kennisbasis te doordenken. De lerarenopleiders laten aldus ook zien dat een werkwijze die zij hun studenten voorhouden ook toegepast kan worden in de eigen opleidingspraktijk.

Naar artikel