Categorie archief: j2018

Ontwerp van een interdisciplinaire blended professionalisering voor pabo-opleiders taal en W&T

Anna Hotze & Edith Louman, Hogeschool iPabo
Martine Gijsel & Maaike Vervoort, Saxion
Sylvia Peters & Anneleen Post, Eduseries

Wetenschap en technologie (W&T) verdient meer aandacht in het basisonderwijs in Nederland en Vlaanderen, maar gezien het volle curriculum is dat niet eenvoudig. Integratie met andere domeinen, zoals taal, kan uitkomst bieden. Om aankomende leerkrachten op te leiden om geïntegreerd taal- en W&T-onderwijs te geven, is een interdisciplinair professionaliseringstraject voor pabo-opleiders taal en W&T ontwikkeld in de vorm van ‘blended leren’. In deze bijdrage beschrijven we het ontwerp hiervan en de ervaringen ermee in de praktijk.

Naar artikel

Blended Learning in de lerarenopleiding: van governance tot transitie

Andy Thys, CVO De Oranjerie & KU Leuven
Bram Pynoo, Vrije Universiteit Brussel
Jo Tondeur, Vrije Universiteit Brussel & Universiteit Gent

De lerarenopleiding in Vlaanderen wordt grondig hervormd: lerarenopleiding worden ingeschaald op Bachelor en Masterniveau met als gevolg dat de lerarenopleidingen in Centra voor Volwassenenonderwijs (CVO) indalen in hogescholen en  universiteiten. Om dit transitieproces te faciliteren werden door de Vlaamse Overheid middelen voorzien om transitieprojecten te financieren. Dit artikel geeft een helikopterzicht over het intensief proces dat gelopen werd binnen het Brusselse samenwerkingsverband EduXL door lerarenopleiders uit vier verschillende opleidingen (én instellingen) in het kader van het transitieproject GO21. Binnen het hier geschetste project staat de vraag centraal: Hoe kunnen we een gedeelde visie op ’blended learning’ ontwikkelen?
In een eerste deel wordt er aandacht besteed aan de context en de gebruikte terminologie (vb. transitie, ’blended learning’ en governance). Hierbij aansluitend worden in een tweede deel de percepties van lerarenopleiders ten aanzien van ’blended learning’ in Vlaanderen in kaart gebracht. Hiertoe werd een vragenlijstonderzoek gevoerd waartoe alle Vlaamse lerarenopleidingen werden uitgenodigd. Dit onderzoek toont aan dat er grote verschillen zijn tussen types lerarenopleidingen met betrekking tot ’blended learning’ en de mate waarin er reeds een beleid rond ’blended learning’ of de integratie van 21e eeuwse vaardigheden uitgewerkt is. Vervolgens toont dit artikel hoe een tweetal ontwikkelde instrumenten (QuickScan en Pilootmodule) kunnen bijdragen aan de zoektocht naar een gemeenschappelijke visie (op Blended Learning). Een uitleiding probeert een aantal acties (en aspiraties) voor de toekomst mee te geven.

Naar het artikel

Opleiden voor de toekomst: hoe praten over onderzoek professionele ruimte creëert

Hanna Westbroek, Bregje de Vries, Wilma Jongejan, Anna Kaal & Iris Pauw, Vrije Universiteit Amsterdam, Universitaire lerarenopleiding

In deze bijdrage houden we een pleidooi voor het verruimen van de blik op onderwijsonderzoek:
naast onderzoek dóen, kan práten over onderzoek de essentie zijn voor het slaan van een effectieve brug tussen onderwijsonderzoek en daarop gebaseerde of daardoor geïnspireerde vernieuwingen in de eigen onderwijspraktijk. Onderwijsonderzoek vormt een belangrijke motor voor vernieuwing. Als lerarenopleiders van de eerstegraads lerarenopleiding van de VU ontwikkelden we een nieuw vak gericht op het leren waarderen en gebruiken van onderwijsonderzoek. Het vak past wat ons betreft in een visie op het leraarschap waarin docenten zelfverantwoordelijk zijn, beslissingskracht hebben, en kennis uit onderzoek gebruiken bij het onderbouwen en uitwerken van hun onderwijs.
In het nieuwe vak staan twee ontwerpprincipes centraal: 1) het maken van een visuele representatie van een representatieve les, en de doelen die de docent-in-opleiding aan de lesonderdelen verbindt (het doelsysteem van een representatieve les); 2) gerichte dialoog
over kwaliteit en praktische bruikbaarheid van onderzoeksartikelen en vakbladartikelen. We gaan eerst kort in op de waargenomen kloof tussen onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk, en spitsen dat toe op de vraag wat praktische bruikbaarheid van onderzoek betekent vanuit het perspectief van docenten. Vervolgens laten we zien hoe we dit concept operationaliseren in werken met het doelsysteem. We bespreken vervolgens de twee ontwerpprincipes aan de hand van de casus van Jamila, een docente-in-opleiding Engels. Evaluatiegegevens laten zien dat de docenten-in-opleiding het vak overwegend positief waarderen en dat de leerdoelen over het algemeen behaald worden.

Naar artikel

Een opleiding vol innovatie: een leerlijn onderzoekend handelen

Kaat Verhaeghe, Bert Wastijn & Geert De Raedemaeker
Erasmushogeschool Brussel

Lerarenopleidingen kunnen hun studenten niet alles bijbrengen wat ze later in de complexe onderwijspraktijk nodig hebben. Een snel veranderende samenleving wordt het toneel waarop leerkrachten spelen. Deze samenleving wordt weerspiegeld door een groeiende kenniseconomie, boeiende uitdagingen, digitale werelden, een  veranderend kindbeeld… Dit vraagt een basishouding die niet als vanzelfsprekend kan worden aangenomen. Onderzoek naar innovatie is cruciaal voor deze professional om zicht te krijgen op de praktijk en die blijvend te vernieuwen. De recente opleiding  Pedagogie van het jonge kind (PJK) aan de Erasmushogeschool kiest daarom resoluut voor een leerlijn onderzoekend handelen die innovatie in de praktijk centraal zet door praktijkgericht onderzoek met studenten, werkveld en docenten te realiseren. Het artikel vertrekt vanuit de context van de lerarenopleidingen en de opleiding PJK binnen het departement Onderwijs en Pedagogie aan Erasmushogeschool Brussel. Daarna komt de leerlijn Ontwikkelen door Onderzoeken binnen de opleiding PJK aan bod en wordt beschreven hoe deze leerlijn opgesplitst over drie deeltrajecten heen, de student aanzet tot mini-onderzoeken en een praktijkgerichte en innoverende bachelorproef samen met het werkveld. Hierbij gaat de aandacht zowel uit naar de  expliciete inbedding als de impliciete verankering binnen de opleiding. Ook de vertaling van de leerlijn naar de lerarenopleidingen komt aan bod.
Tot slot wordt het praktijkvoorbeeld afgesloten met enkele kritische reflecties. Deze hebben als doel de onderzoekende praktijk in hogescholen in vraag te stellen. Ze willen inspireren, sterktes tonen en de valkuilen aanraken. Deze vragen vormen het einde, maar ook een nieuw begin van de innovatiecyclus.

Naar artikel

Mbo-docenten toekomstgericht opleiden door samen te werken en te leren

Marloes van Bussel, MBO Raad Woerden & CINOP, ’s Hertogenbosch
Patricia Brouwer, ECBO, ’s Hertogenbosch
Monique de Ridder, Windesheim Zwolle
Ilya Zitter, Hogeschool Utrecht

Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) neemt van oudsher een belangrijke sleutelpositie in op de arbeidsmarkt. Nauw verbonden met het regionale bedrijfsleven voorziet ze in de behoeftes die deze bedrijven hebben op het gebied van het opleiden van praktisch opgeleide medewerkers. Al jaren is de arbeidsmarkt echter enorm in beweging; denk alleen al aan technologische ontwikkelingen als ‘artifical intelligence’ en robotisering (Koolmees & Van Engelshoven, 2018) of aan de toenemende behoefte aan complexe zorg voor het groeiend aantal ouderen. Dit heeft zijn weerslag op de arbeidsmarkt en er is hierdoor grote behoefte aan wendbare vakmensen (Coenders, 2016). Onstenk en Van Veldhuizen (2017) stellen dat leren in de praktijk een belangrijke voorwaarde is voor de ontwikkeling van vakmanschap. Het leren en de begeleiding van leren, dat in het beroepsonderwijs plaatsvindt op school én op de werkplek (Aalsma, 2017), maakt het mogelijk in te spelen op de veranderingen op de arbeidsmarkt. Ontwikkelingen in de maatschappij hebben door deze integrale aanpak van werken en leren consequenties voor het mbo, mbo-docenten en dientengevolge ook voor de lerarenopleiding voor mbo-docenten.
Om deze dynamische interactie tussen maatschappij, beroepspraktijk en mbo beter vorm te geven, zijn de afgelopen jaren meerdere initiatieven gestart voor het verbeteren van het opleiden van mbo-docenten. In dit artikel bepleiten we dat, hoewel er belangrijke stappen gezet zijn, deze verbetering in de lerarenopleiding van mbo-docenten nog verder vorm kan krijgen. Om mbo-docenten van de toekomst goed op te kunnen leiden is het noodzakelijk dat de beroepscontext sterker bij de lerarenopleiders en lerarenopleidingen terug te vinden is en continu wordt aangepast aan de dynamiek van de beroepenwereld. Het model van ‘boundary crossing’ (Akkerman & Bakker, 2011) biedt goede inzichten hoe vanuit samenwerking de aansluiting met de beroepspraktijk beter kan. Inzichten die zowel vruchtbaar zijn voor de lerarenopleidingen en hun onderwijspraktijk als voor de mbo-opleidingen en hun beroepspraktijk. In dit artikel schetsen we eerst hoe het mbo in die dynamische context eruitziet. Daarna lichten we toe wat een mbo-docent moeten kunnen en kennen om in deze context goed mbo-onderwijs te kunnen verzorgen. Tot slot laten we zien hoe  lerarenopleidingen en mbo-scholen gezamenlijk met behulp van ‘boundary crossing’ mbo-docenten daartoe goed kunnen voorbereiden.

Naar artikel

De leraar aan het stuur

Empowerment van leraren in de praktijk

Leo van Hoorn & Jan Marten Praamsma, Christelijke Hogeschool Ede

In de Master Leraar Godsdienst/Levensbeschouwing aan de Christelijke Hogeschool Ede,volgen de studenten het  studieonderdeel ‘schoolontwikkelingsproject’. In deze module leren studenten hoe ze de rol van ‘change agent’ kunnen vervullen in de school. Studenten gaan zelf aan de slag in de school en ontdekken zo dat organisaties, protocollen en systemen geen autonome structuren zijn, die slechts onderwerping en gehoorzaamheid vragen, maar dat ze daar zelf sturing aan kunnen geven en zo mede regisseur kunnen zijn.
Ook ervaren ze daarin de frustratie van de traagheid van processen, de moeite om die processen in beweging te krijgen en de resultaten te verduurzamen, de noodzaak om de randvoorwaarden te creëren om te kunnen veranderen, de vreugde en het verdriet van de samenwerking met collega’s en leidinggevenden. Studenten leren bovendien onderscheid te maken tussen onderwijsvernieuwing en onderwijsverbetering door verandering niet op te vatten als een technische operatie, maar voortdurend expliciet te blijven verbinden met onderliggende visie op goed onderwijs. Maar vooral ontdekken ze dat het de moeite waard is om te dromen, te experimenteren en onderwijs beter te maken. Zo werken we gezamenlijk aan empowerment, het nemen van eigen verantwoordelijkheid, professionele kracht en beroepstrots.

Naar artikel

Onderwijsvernieuwing is een werkwoord

Opleiden voor geëngageerde vernieuwingspraktijken

Geert Kelchtermans, KU Leuven, Centrum voor Onderwijsvernieuwing en de Ontwikkeling van Leraar en School (COOLS)

Lerarenopleiders staan voor de taak hun studenten voor te bereiden op de spanning tussen verandering en stabiliteit die het onderwijsveld typeert. Tijdens hun loopbaan worden
leraren immers onontkoombaar geconfronteerd met onderwijsvernieuwingen. Op basis van eigen en internationaal onderzoek, analyseert de auteur het fenomeen  onderwijsvernieuwing, dat hij omschrijft als “het proces van het doelgericht veranderen van onderwijsleerpraktijken of de condities die de vormgeving ervan bepalen, met de bedoeling het onderwijs en de vorming van de betrokken leerlingen of studenten te verbeteren.”
Achtereenvolgens bespreekt hij het praktijk- en proceskarakter van vernieuwingen, de centrale rol van betekenisgeving en normativiteit en de tijd-ruimtelijke context waarin ze altijd gesitueerd zijn. In de weerstand tegen vernieuwingen worden die verschillende elementen en hun samenhang concreter geïllustreerd. Concluderend stelt de auteur dat leraren in hun implementatiepraktijken altijd een feitelijk antwoord geven op een welbepaalde reeks vragen: normatieve, politieke, strategische, creatieve, effectiviteits- en verklaringsvragen.
Vervolgens schetst de auteur hoe deze vragenreeks leidraad en structuur kan bieden voor de praktijk in de initiële lerarenopleiding. Hij breekt eerst een lans voor het reflectief modelleren door lerarenopleiders van hun eigen praktijk in het omgaan met vernieuwingen.
Een volgende stap is het maken van gevalsanalyses van de  vernieuwingspraktijken van ervaren leerkrachten als een oefening in brede en diepe reflectie. Tenslotte bespreekt hij hoe de eigen vernieuwingspraktijk -bijvoorbeeld tijdens stages- studenten toelaat hun inzicht te verdiepen. De concrete ervaring en kritische analyse van onzekerheid, onbehagen, loyaliteitsconflicten, bedoelde en onbedoelde neveneffecten…, vormen evenveel krachtige kansen om hun professionaliteit te ontwikkelen. Onderwijsvernieuwing blijft een werkwoord.

Naar artikel

“Goed gedaan, maar kan nog beter…”

Monica Koster, Tekster
Eric Besselink & Eline Seinhorst, Iselinge Hogeschool Doetinchem

Ondertitel: Het ontwikkelingsgericht en betrouwbaar beoordelen van leerlingteksten

Veel basisschoolleraren worstelen met de vraag hoe ze teksten van leerlingen betrouwbaar kunnen beoordelen. In de praktijk blijken de oordelen van verschillende beoordelaars over dezelfde teksten onderling behoorlijk te verschillen, wat een onwenselijke situatie is. In dit artikel bespreken we verschillende manieren om tot beoordeling van teksten te komen (holistisch en analytisch) en laten we zien dat aan beide beoordelingswijzen ernstige bezwaren kleven. In dit onderzoek is daarom gekeken of een andere oplossing, namelijk het gebruik van beoordelingsschalen met ankerteksten, voor leraren een bruikbaar alternatief is voor het effectief en betrouwbaar beoordelen van teksten van leerlingen in de bovenbouw van het basisonderwijs (groep 5 t/m 8, 3de t/m 6de leerjaar). We bespreken de procedure die we hebben gevolgd om tot beoordelingsschalen te komen en de voor- en nadelen van het werken met de schalen. We verkennen hoe bruikbaar de ontwikkelde beoordelingsschalen zijn voor basisschoolleraren en hoe haalbaar het zelf ontwikkelen van beoordelingsschalen is. De in dit onderzoek ontwikkelde schalen kunnen bijdragen aan beter schrijfonderwijs: leraren die met de schalen werken, leren welke aspecten van de tekst in het bijzonder bijdragen aan tekst-kwaliteit. Hierdoor hebben zij een beter inzicht in de schrijf-prestaties van hun leerlingen, wat aanknopingspunten biedt voor betere schrijfinstructie en gerichtere feedback op de teksten van hun leerlingen. Omdat de schalen te gebruiken zijn in verschillende leerjaren, is het tevens mogelijk om de ontwikkeling van schrijf-vaardigheid van leerlingen systematisch te volgen.

Naar artikel

‘Je moet op dat moment reageren en je weet nooit of je het juiste doet’

Wouter Pols, Hogeschool Rotterdam

Ondertitel: Pedagogiek in het middelbaar beroepsonderwijs

Dit artikel doet verslag van een fenomenologisch georiënteerd onderzoek naar het pedagogisch denken van mbo-leraren. Het besteedt eerst aandacht aan de fenome-nologische uitgangspunten van het onderzoek. Vervolgens beschrijft het de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek. Het onderzoek laat zien dat binnen het pedagogische denken van mbo-leraren een aantal thema’s terugkomen: de houding van de leraar, een aantal deugden, de opdracht waarvoor de leraar staat, zijn onderzoekende kijk, het belang van de relatie en ten slotte de handelingsvorm die de leraar vanuit zijn houding, de opdracht waarvoor hij staat en de relatie met zijn studenten in praktijk brengt. Het artikel sluit af met een korte reflectie over de relevatie van fenomenologisch onderzoek voor de professionalisering van leraren.

Naar artikel

Ervaringen uit de bètalerarenopleiding: leren differentiëren vanuit onderwijskunde en schoolvak

Gonny Schellings & Lesley de Putter
TU Eindhoven Lerarenopleiding: Eindhoven School of Education

Deze bijdrage betreft een praktijkvoorbeeld vanuit een bètalerarenopleiding waar een vakdidacticus en een algemeen onderwijskundige een koppeling maken tussen het vak onderwijskunde en het schoolvak aan de hand van een toepassingsopdracht over differentiëren. Met behulp van het leerstijlen model van Kolb worden bachelorstudenten gevraagd na te denken over een lesopzet. Hoewel de uitwerkingen van de lesopzetten sterk verschilden, waren er ook veel overeenkomsten te zien. De studenten gaven aan het moeilijk te vinden om lesstof op andere manieren uit te leggen, maar door de opdracht zien ze wel mogelijkheden. Bovendien wordt voor de studenten het vak onderwijskunde relevanter door onderwijskundige onderwerpen sterk aan het schoolvak te koppelen. Een volgende stap kan zijn om onderwijskunde en vakdidactiek verder in elkaar te schuiven.

Naar artikel

Vraaggestuurd samenwerken aan Samen Opleiden

Harry Stokhof, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen
Bregje de Vries, Vrije Universiteit Amsterdam
Martine Derks, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

‘Samen in de school opleiden’ is een ingeburgerde praktijk in Nederlandse lerarenopleidingen. In het samenwerkingsverband Samen Opleiden in de regio Arnhem Nijmegen werken instituutsopleiders en schoolopleiders – samen met aanstaande leraren- aan opleiden, professionalisering én de pedagogisch-didactische schoolontwikkeling in opleidingsscholen. Dit vraagt van instituutsopleiders dat zij als ‘boundary crossers’ opereren op het snijvlak tussen de twee professionele werelden van opleidingsinstituut en opleidingsscholen. In deze nieuwe rol worden instituutsopleiders geacht samen met de schoolopleiders vraagarticulatie in het team rond ontwikkelthema’s te begeleiden en hierin ruimte te bieden voor individuele ontwikkelvraagstukken van (aanstaande) leraren. Om instituutsopleiders te ondersteunen in dit complexe begeleidingsproces van vraagarticulatie, is in 2016-2017 ‘het scenario voor de begeleiding van vraaggestuurd samen-werken’ geïntroduceerd als begeleidingsmethodiek. Flankerend onderzoek heeft verkend in welke mate werken met dit scenario ondersteuning biedt voor de rolopvatting en roluitvoer van instituutsopleiders als procesbegeleiders van vraagarticulatie in de opleidingsschool. De resultaten tonen dat het scenario een constructieve bijdrage kan leveren aan de procesbegeleiding van vraagarticulatie, en instituutsopleiders een referentiekader kan bieden om onderling de professionele dialoog over hun rol als boundary crossers aan te gaan.

Naar artikel

Flankerend onderzoek opbrengsten Community of Inquiry

Gerda Geerdink, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen
Fer Boei, Hogeschool Windesheim
Martijn Willemse, Hogeschool Windesheim

Ondertitel: Lerenopleiders onderzoeken hun eigen opleidingspraktijk

De ‘themagroep professionaliseren in en door onderzoek’ van de VELON heeft in studiejaar 2015-2016 inhoudelijk en logistiek leiding gegeven aan een Community of Inquiry (CoI) waarin vijf lerarenopleiders hebben geparticipeerd. Het van te voren vastgelegde thema was ‘de onderzoekende houding van leraren in opleiding’. Daarmee wilden we meer kennis ontwikkelen over het opzetten van een CoI als professionaliseringsactiviteit, wilden we bijdragen aan de professionalisering van de individuele deelnemers en – via hen – aan de kwaliteitsverbetering van de  lerarenopleidingen.
Dit artikel betreft het flankerend onderzoek naar de werkwijze en opbrengsten van de CoI. Onderzocht is of in een landelijke CoI recht kan worden gedaan aan voorwaarden die cruciaal zijn voor een succesvolle leergroep van onderwijsprofessionals. Daarnaast is onderzocht of er met de CoI leeropbrengsten voor de individuele deelnemers en meerwaarde voor hun instituten zijn gerealiseerd. Vier deelnemers hebben voor het onderzoek logboeken bijgehouden en twee keer een vragenlijst ingevuld. Daarnaast zijn bijeenkomsten geobserveerd.
Op basis van het onderzoek stellen we vast dat deze CoI zoals ingericht en uitgevoerd
erin is geslaagd twee derde van de cruciale voorwaarden te realiseren. De werkwijze en interactie tussen de deelnemers was goed. De ondersteuning door het management en daardoor het delen en verspreiden van de leeropbrengsten met hun instituten is maar beperkt gelukt. Deelnemers geven zelf aan veel te hebben geleerd, zowel over het thema van het onderzoek als over het uitvoeren van praktijkgericht onderzoek. Drie van de vier participanten kunnen zelf die leeropbrengst bij hun eigen werkzaamheden inzetten maar het heeft geen impact op hun instituut.

Naar artikel

Belemmert onderzoek doen de ontwikkeling van een onderzoekende houding?

Eveline Oostdijk & Marijke van Meenen, HvO, Utrecht
Johan Strijbis, Driestar Educatief Gouda
Helma de Rooij, Hogeschool Utrecht
Irmgard den Hollander, NHL Leeuwarden
Fer Boei & Martijn Willemse, Hogeschool Windesheim Zwolle

Ondertitel:
Beelden van lerarenopleider over het stimuleren van een onderzoekende houding bij aanstaande leraren

Praktijkgericht onderzoek is niet meer weg te denken binnen de lerarenopleidingen van hogescholen. Dit geldt ook voor het ontwikkelen van een onderzoekende houding door aanstaande leraren. Wat hier precies mee bedoeld wordt, is in de literatuur echter niet altijd eenduidig omschreven. De vraag is welke beelden lerarenopleiders hebben bij het begrip onderzoekende houding en op welke wijze ze het ontwikkelen van die houding bij hun studenten ondersteunen. In dit artikel wordt gerapporteerd over een kleinschalig onderzoek bij vier hogescholen. Met lerarenopleiders zijn groepsinterviews gehouden. Gevraagd is welke beelden ze hebben bij een onderzoekende houding, of er een gezamen-lijke visie in de opleiding hierover geformuleerd is, hoe de ontwikkeling van zo’n houding gestimuleerd wordt en wat er volgens hen op dit terrein verbeterd zou kunnen worden in de lerarenopleiding. Uit de antwoorden die opleiders geven blijkt een grote diversiteit.
Kritisch kunnen bevragen, nieuwsgierig zijn, een open houding hebben, verbanden kunnen leggen, gebruik kunnen maken van literatuur en onderzoeksvaardigheden bezitten, zijn antwoorden die gegeven worden. Eenduidige beelden of een gezamenlijke visie lijken te ontbreken. Ook worstelen opleiders met de vraag hoe je kunt beoordelen of studenten deze houding aan het einde van hun studie hebben ontwikkeld. De plek van onderzoek levert eveneens discussie op. Opleiders vragen zich af onderzoek doen aanstaande leraren helpt om een onderzoekende houding te ontwikkelen of juist tegenwerkt. Wel wordt duidelijk dat het gezamenlijk met collega’s nadenken over de onderzoekende houding voor veel lerarenopleiders op dit moment actueel is.

Naar artikel

‘Ik wil de leerlingen niet een one size fits all geven. Maar hoe ga ik het doen?’

Harry Havekes & Lieke Jager
Radboud Docenten Academie, Nijmegen

Ondertitel:
Denken over en werken aan gepersonaliseerd leren in het voortgezet onderwijs

Gepersonaliseerd leren vraagt van docenten dat ze opnieuw nadenken over hun onderwijs en hun rol als docent. Leerlingen krijgen meer verantwoordelijkheid voor hun eigen leerproces, maar tegelijk moet wel het geëiste eindniveau gehaald worden. Docenten vragen zich af waar ze verantwoordelijkheid bij de leerlingen kunnen laten en in welke mate ze zelf de verantwoordelijkheid in de hand moeten houden. Docenten zoeken naar wat dit betekent voor hun didactiek en aan welke leerbehoeften van leerlingen ze tegemoet moeten, willen en kunnen komen.
In dit artikel beschrijven we van een aantal docenten, die in 2016-2017 aan dezelfde havo/vwo klas lesgeven, welke ontwikkeling hun denken heeft doorgemaakt. Elke docent heeft in het schooljaar drie maal de didactiek van een les geëxpliciteerd, geëvalueerd en besproken. Aan de hand van deze inzichten zijn de docenten hun didactiek gaan aanpassen. De data geven een beeld van de verandering van het denken van deze docenten. De resultaten lijken een patroon te laten zien: bij aanvang is er een gevoel van handelingsverlegenheid bij de docenten, daarna leggen de docenten veel verantwoordelijkheid bij de leerlingen en ten slotte nemen de docenten deze meer terug en is er sprake van gedeelde verantwoordelijkheid.

Naar artikel

Hoe leren leidende lerarenopleiders?

Jurriën Dengerink & Anja Swennen
Vrije Universiteit Amsterdam

Ondertitel: Expertiseontwikkeling in een projectgroep die leiding geeft aan een complex regionaal onderwijsinnovatieproject

Lerarenopleiders participeren naast hun onderwijstaak regelmatig in onderwijsinnovatie- projecten. Dit artikel gaat over de expertiseontwikkeling van lerarenopleiders uit scholen en lerarenopleidingen in een projectgroep van een grootschalig regionaal project, gericht op het ontwerpen en implementeren van inductiearrangementen. Welke expertise ontwikkelden ze en hoe ontwikkelden zij die individueel en gezamenlijk? Daarbij is ook onder-zocht of de projectgroep kenmerken van een professionele leergemeenschap kreeg. Het artikel besluit met een paragraaf over de praktische relevantie van dit onderzoek voor het individueel en gezamenlijk leren in en het welslagen van complexe onderwijsinnovatieprojecten.

Naar artikel

Van een positieve praktijkervaring naar een leerervaring

Judith Stappers, Fontys Hogescholen te Tilburg
Mieke van Hout, Fioretti College Veghel
Tom Adams, Fontys Hogescholen te Tilburg
Bob Koster, Fontys Hogescholen te Tilburg

De afgelopen drie jaar is er binnen het lectoraat Werkplekleren bij de Fontys Lerarenopleiding Tilburg (FLOT) gezocht naar ideeën om het leren van studenten op de werkplek nog beter vorm te geven. Het lectoraat richt zich op drie aspecten van het beroep: het leren lesgeven in een vak, het zicht krijgen op wie je bent als leraar en het ontwikkelen van een onderzoekende houding als aanstaand leraar. Uit verschillende onderzoeken is gebleken dat reflectie bij alle drie de aspecten een cruciale rol speelt (Korthagen, 2012; Luken, 2011; Van Ravensteijn & Van de Wetering 2017; Stappers & Koster, 2016; Van Hout-van Dijk, 2015). Reflectie wordt gezien als ‘het nadenken over het eigen functioneren om dit te verbeteren’ (Luken, 2010, p.153). Studenten vatten reflectie vooral op als praktisch nadenken over wat er fout ging en hoe dat de volgende keer beter kan (Wilschut, Veldhuizen, Amagir, & Van de Berg, 2015). In dit onderzoek is bekeken op welke manier studenten gestimuleerd kunnen worden meer diepgang aan te brengen in hun reflectieve denken. Daarbij zijn de positieve ervaringen die studenten opdoen op de werkplek het uitgangspunt geweest, omdat uit onderzoek blijkt dat reflectie op positieve ervaringen tot diepere leerervaringen leidt dan reflectie op negatieve ervaringen (Korthagen, 2012). De onderzoeksvraag die beantwoord gaat worden is: Op welke manier komen studenten vanuit een positieve praktijkervaring tot een leerervaring?

Naar artikel

Co-design van online lesmateriaal vakdidactiek voor de lerarenopleiding: proces en product

Theo van den Bogaart, Hogeschool Utrecht,
Paul Drijvers, Universiteit Utrecht,
Jos Tolboom, SLO, Nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling

Dit artikel beschrijft het project Open Online Bètadidactiek waarin opleiders van enkele Nederlandse eerste- en tweedegraads lerarenopleidingen voor de exacte vakken gezamenlijk online lesmateriaal over vakdidactiek hebben gemaakt. Dit vrij beschikbare materiaal kan ingezet worden om blended learning binnen vakdidactiekcursussen vorm te geven, hetgeen een ontwikkeling is waar veel lerarenopleidingen momenteel mee te maken hebben. Individuele opleidingen zijn vaak te klein om zelfstandig dergelijk materiaal te produceren en bovendien biedt samenwerking mogelijkheden tot professionalisering van de lerarenopleiders zelf. Dit artikel gaat in op twee aspecten. Het eerste betreft de organisatiewijze; tijdens het project is een procesmodel ontwikkeld dat gekarakteriseerd wordt door een aantal momenten van intensieve samenwerking in kleine instellingsoverstijgende teams. Het tweede betreft kenmerken van online materialen voor vakdidactiek en gebruikservaringen. Een belangrijke bevinding is hier dat aanbrengen van veel flexibiliteit in het materiaal belangrijk is om aan te kunnen sluiten bij de diverse opleidingscontexten en de wens tot autonomie van de opleiders. Keerzijde hiervan is dat dit inzet van het materiaal voor opleiders bewerkelijk maakt. Ook blijkt online materiaal door het gebruik van video’s krachtige mogelijkheden te bieden om studenten te laten reflecteren op leerlingdenkbeelden en bijbehorende didactische interventies.

Naar artikel

Slagen lerarenopleiders erin hun vakgebied actueel te houden? En zo ja, hoe doen zij dat dan?

Ellie Coumans & Quinta Kools
Fontys Lerarenopleiding Tilburg

In dit artikel beschrijven wij de uitkomsten van een onderzoek naar de manier waarop lerarenopleiders hun vakkennis onderhouden. Slagen zij erin om up-to-date te blijven in hun vakgebied en op welke wijze werken zij daaraan? Een groep lerarenopleiders van de Fontys Lerarenopleiding Tilburg is middels een enquête en interviews bevraagd op hun ervaringen. Een voorzichtige conclusie is dat zij beter slagen in het bijhouden van hun vak dan zij zelf denken. De gedrevenheid met betrekking tot het op peil houden van hun vakkennis is groot. Er zijn verschillende manieren om vakkennis bij te houden, waaronder manieren die samenvallen met bestaande taken zoals het ontwikkelen van lesmateriaal en het uitwisselen met (vak)collega’s. Binnen opleidingsteams zou er wat meer aandacht kunnen zijn voor vakkennis.

Naar artikel

Diversiteit op de pabo

Anne Vermijs, NCOI
Gerda Geerdink, HAN Kenniscentrum Kwaliteit van Leren
Rob Hölsgens, HAN Kenniscentrum Kwaliteit van Leren
Ninouk Voortjes, VO Gelderse Vallei
Fedor de Beer, HAN Kenniscentrum Kwaliteit van Leren

Aandacht voor diversiteit in teams van scholen en dus op de lerarenopleiding is een belangrijk speerpunt voor zowel de PO-raad (de raad waarin werkgevers in het primair onderwijs zich verenigd hebben) als de landelijke Vereniging Hogescholen in Nederland.
Er worden drie groepen genoemd die in verband worden gebracht met een ervaren tekort aan diversiteit in onderwijsteams, namelijk een tekort aan mannelijke leraren, leraren met een niet-westers allochtone achtergrond en leraren die als voorafgaand aan de lerarenopleiding een middelbare beroepsopleiding hebben gevolgd (mbo). Dit zijn minderheidsgroepen binnen teams in basisscholen, maar ook binnen de studentenpopulatie op de lerarenopleiding. Bij deze studenten is de instroom relatief laag, de doorstroom moeizamer en vaker dan gemiddeld vallen zij uit zonder diploma.
Het voorliggend onderzoek wil meer helderheid verschaffen over voor de opleiding relevante verschillen tussen de doorsnee pabostudent en studenten uit de minderheidsgroepen. Er is gezocht naar kenmerken en factoren waarop studenten kunnen worden onderscheiden en die relevant zijn voor hun professionele identiteit. Door middel van een vragenlijst is geprobeerd een beschrijving te geven van de studentenpopulatie van de pedagogische academie voor basisonderwijs (pabo) in Nederland. In totaal hebben 551 studenten van één opleiding – de HAN Pabo – de vragenlijst volledig ingevuld. De genoemde minderheidsgroepen verschillen op een aantal onderdelen significant van elkaar en van de meerderheidsgroep. Met deze vragenlijst is de diversiteit van de HAN Pabo beter in kaart gebracht; gegevens die de opleiding kan gebruiken om het opleidingsprogramma meer op maat van de diverse studenten te maken.

Noot: Dit artikel betreft een deel van een langer lopend onderzoek naar meer diversiteit op de lerarenopleiding. Het deel waarover hier gerapporteerd wordt is voor een groot deel uitgevoerd door Ninouk Voortjes als stagiare bij het Kenniscentum van de Faculteit Educatie van de Han.

Naar artikel

Toekomstgericht onderwijs op de lerarenopleiding basisonderwijs

Jarise Kaskens, Erna van Koeven, Job Morsink, Marlies Wolters & Hans Drost, Hogeschool Windesheim

In dit artikel wordt verslag gedaan van drie pilots die op de pabo van Hogeschool Windesheim in Zwolle (NL) zijn uitgevoerd in antwoord op de vraag in hoeverre op de pabo toekomstbestendig onderwijs kan worden vormgegeven. Onderwijsvernieuwing is een precair proces in een opleidingsgemeenschap waarvan zowel ‘early adapters’ als ‘sceptici’ deel uitmaken. Pilots geven professionele ruimte aan lerarenopleiders en studenten voor het opdoen van ervaringen waarvan kan worden geleerd. Wat de hier beschreven pilots laten zien is dat onderzoekend en ontwerpend leren tot grote betrokkenheid leidt en kansen biedt voor vernieuwend onderwijs.

Naar artikel