Categorie archief: J2011

Omgaan met excellente leerlingen in reguliere klassen

Klaas van Veen & Rikkert van der Lans< ICLON Univ. Leiden

In dit artikel wordt verslag gedaan van een verkennend onderzoek naar hoe leraren in het voortgezet onderwijs omgaan met excellente leerlingen in hun reguliere klassen. Excellentie wordt hierbij gezien als het resultaat van zowel leerlingkenmerken als de omgeving, waarbij de leraar een grote rol lijkt te spelen. Zowel leraren als excellente leerlingen zijn geïnterviewd. De resultaten van dit onderzoek geven een beeld van hoe deze leraren pedagogisch en didactisch omgaan met hun excellente leerlingen en hoe hun excellente leerlingen dit ervaren en wat zij wenselijk vinden. Ook wordt ingegaan op de wederzijdse percepties van leraren en leerlingen, wat een specifiek patroon laat zien. De resultaten van dit onderzoek geven handreikingen aan lerarenopleiders om dit thema in de opleiding te behandelen.

Naar artikel

Wat kenmerkt excellente leraren?

Marco Snoek & Anne van Wingerden, Hogeschool van Amsterdam, O&O Studenten honourstraject: Vincent Goosen, Tim Kornet & Floor de Nooij

In februari 2011 is binnen het domein Onderwijs en Opvoeding van de Hogeschool van Amsterdam gestart met een honourstraject. Dit honourstraject is onderdeel van een breder excellentieprogramma voor studenten van de pabo, tweedegraads lerarenopleidingen en de opleiding pedagogiek. Doelstelling van het honourstraject is om talentvolle en ambitieuze studenten te stimuleren om hun excellentie verder te ontwikkelen. In het eerste semester van het honourstraject hebben de studenten zich verdiept in de vraag wat excellente leraren kenmerkt en onderscheidt van andere leraren. Zo ontstond een dubbele bodem: een onderzoek dat aansluit op actuele beleidsdiscussies met als doel om studenten te stimuleren in hun excellentie, wat hen meteen perspectieven bood op de vraag wat excellentie voor hen zelf betekent. In dit praktijkartikel schetsen de begeleidende docenten de uitgangspunten van het programma. Vervolgens beschrijven de studenten het onderzoek dat ze in het kader van het honourstraject hebben uitgevoerd en reflecteren ze op de leerwinst die het hen heeft opgeleverd. Tenslotte reflecteren de docenten op de mate waarin het eerste semester voldeed aan de doelstellingen van het programma.

Naar artikel

Kenmerken van excellent leraarschap in beeld

Ellen van den Berg, Hs Edith Stein Hengelo & Uinv. Twente | Edmée Suasso, Hs Edith Stein Hengelo

Dit artikel gaat over excellentie in het leraarsberoep en is een beknopt verslag van het twee jaar durende project ‘Zicht op Excellentie’, dat met subsidie van de regeling krachtig Meesterschap is uitgevoerd. Aan het project hebben tien basisscholen en een lerarenopleiding deelgenomen. Het doel van het project was om kenmerken van excellent leraarschap multimediaal vast te leggen en inzicht te verwerven in het samenwerkingsproces dat aan deze vastlegging vooraf gaat. In dit artikel gaan we in op het begrip excellentie en hoe we dit begrip aan de hand van een meta-analyse van Hatti (2003) hebben ingevuld. Vervolgens bespreken we de functie van rich media cases bij het vastleggen en duiden van excellent leraarsgedrag. We bespreken welke informatie we aan de video-opnamen van excellent leraarsgedrag toevoegen. Deze informatie is gerelateerd aan de verschillende typen kennis die samenhangen met het beroep van leraar. De  gehanteerde werkwijze binnen het project wordt toegelicht. Een centraal begrip daarbij is de professionele leergemeenschap. In deze gemeenschap wordt de discussie over excellentie gevoerd en worden concretiseringen van aspecten van excellentie verkend. Het entameren van deze discussie en de inspiratie die dat oplevert is een belangrijke opbrengst van het project geweest. Excellent leraarsgedrag vastleggen via rich media bleek een lastiger opgave dan vooraf ingeschat. In de slotparagraaf van dit artikel gaan we daar nader op in. In deze paragraaf geven we ook aan hoe de verworvenheden van dit project van betekenis kunnen zijn voor lerarenopleidingen in het algemeen en hoe we zelf verder gaan met de opbrengsten.

Naar artikel

Understanding teachers’ professional knowledge

John Loughran, Faculty of Education, Monash University, Clayton, Australia

A considerable literature exists that describes a diversity of views on the nature of teachers’ professional knowledge of practice. However, despite the proliferation of these views, understanding what teachers’ professional knowledge really is, what it looks like and, how it might be interpreted and implemented through classroom actions is exceptionally difficult. As teachers, we often struggle to define our knowledge because it is largely tacit. That is not really surprising because we are so busy doing teaching that there is little time, opportunity or expectation to talk about why we do things the way we do. Because our knowledge of our practice is tacit, it is often misunderstood – despite the fact that it is fundamental to quality classroom teaching and learning. Teachers’ professional knowledge of practice matters because: – it is important to be able to recognize and articulate the expertise that is encompassed in quality practice for ourselves and for the wider community; – there is a continual need to communicate and share our knowledge of practice in ways that extends beyond tips and tricks as the sole measure (or expectation) of classroom expertise; – we need to be reminded that the skills we develop in managing the dilemmas and tensions inherent in working with 25 or so different students each lesson is a basis for specialist knowledge; – expertise needs to be able to be shared in ways that does not always call on each individual to reinvent the wheel; and, – teachers’ professional knowledge encapsulates the very essence of being an accomplished practitioner. In the actions we take to facilitate student learning, we are continually developing our professional knowledge of practice. By valuing what we do, in accepting that good teaching requires skills, knowledge and abilities, it stands to reason that such knowledge needs to be recognized, developed and cultivated. Articulating our professional knowledge requires a shared language from which genuine meaning, application and value to our daily work as teachers might be derived. This paper offers one way of conceptualizing teachers’ professional knowledge of practice.

Naar artikel

Excellente leraren als inspirerend voorbeeld

Ib Waterreus (Onderwijsraad) met reacties van Annemarie Thomassen (Sted. Gymnasium Leiden) Wiebe Brouwer (Montessori Lyceum A’dam) & Ton van Haperen (Rythovius College Eersel en ICLON Univ leiden)

Hoe is excellentie onder leraren te bevorderen? De Onderwijsraad pleit voor het identificeren en inzetten van excellente leraren binnen elke school als inspirerend voorbeeld, als rolmodel. Dit is om twee redenen van belang voor het onderwijs. In de eerste plaats om het talent van leerlingen optimaal te benutten. Als excellente leraren hun eigen kwaliteiten verder kunnen ontwikkelen en die van collega’s weten te bevorderen, komt dit ten goede aan de kwaliteit van het onderwijs en daarmee aan de prestaties van leerlingen. In de tweede plaats maakt het het onderwijs als werkomgeving aantrekkelijker. Als excellentie bij leraren wordt herkend en erkend, blijven topleerkrachten beter behouden voor het onderwijs en zullen ook anderen eerder tot het vak worden aangetrokken. In dit artikel wordt toegelicht waarom de raad pleit voor de inzet van excellente leraren als rolmodellen en hoe dit plan kan worden uitgevoerd.

Naar artikel

Onderzoekend leren: de nieuwsgierigheid voorbij

Gerdo Velthorst, Ida Oosterheert & Niels Brouwer, Kenniscentrum Wetenschap en Techniek Gelderland

In dit artikel plaatsen de auteurs kanttekeningen bij een drietal opvattingen van pabostudenten en leraren Primair Onderwijs over ‘onderzoekend leren’. Het zijn opvattingen die we in onze regio (Gelderland) veel horen tijdens trainingen en workshops met leraren Primair Onderwijs en pabostudenten. Binnen het Kenniscentrum Wetenschap en Techniek Gelderland (KWTG) zijn ze een aantal keren onderwerp geweest van expertbijeenkomsten. De opvattingen zijn geordend met betrekking tot hun onderwerp. Het gaat om opvattingen over:- de lesdoelen van onderzoekend leren, – de rol van de leraar bij onderzoekend leren – de didactiek van wetenschap- en techniekonderwijs.

Naar artikel

Communicatie, taal, en (vakspecifiek) leren

Ingrid Evers, LEONED en Radboud Univ. Nijmegen | Fer Hooghuis, Piet-Hein van de Ven & Michiel Vogelezang, Radboud Univ. Nijmegen ILS

In deze bijdrage schetsen we hoe we aan onze eigen universitaire opleiding langzaamaan taalbeleid vormgeven, ingaand op de  dimensies van zo’n taalbeleid: Nederlands als tweede taal, interculturele communicatie en communicatietheorie en taalgericht vakonderwijs. We besteden nadrukkelijk aandacht aan wat in een aantal recente documenten onderbelicht blijft: de rol van taal bij het leren.Allereerst de aanleiding. Vervolgens presenteren we eerst enige theorie over communicatie, taal en leren. Daarna schetsen we hoe we in onze opleiding taalbeleid proberen vorm te geven. We gaan specifiek in op ‘taalgericht vakonderwijs’, dat aan een universitaire lerarenopleiding extra aandacht behoeft. Het is in het eerstegraads onderwijs- en opleidingsveld niet gemakkelijk binnen andere schoolvakken dan Nederlands aandacht voor taal te krijgen, omdat juist daar sterke grenzen tussen schoolvakken bestaan.

Naar artikel

Het 6E-model: een compromis tussen positivistisch en constructivistisch wiskunde-onderwijs?

Bart Windels, Karel de Grote-Hogeschool Antwerpen

In dit artikel plaatsen de auteurs kanttekeningen bij een drietal opvattingen van pabostudenten en leraren Primair Onderwijs over ‘onderzoekend leren’. Het zijn opvattingen die we in onze regio (Gelderland) veel horen tijdens trainingen en workshops met leraren Primair Onderwijs en pabostudenten. Binnen het Kenniscentrum Wetenschap en Techniek Gelderland (KWTG) zijn ze een aantal keren onderwerp geweest van expertbijeenkomsten. De opvattingen zijn geordend met betrekking tot hun onderwerp. Het gaat om opvattingen over:- de lesdoelen van onderzoekend leren, – de rol van de leraar bij onderzoekend leren – de didactiek van wetenschap- en techniekonderwijs.

Naar artikel

Kennisgroepen als innovatieve bruggenbouwers

Tim Post, Univ. Twente, Instructietechnologie | Gerdo Velthorst, Iselinge Hogeschool, Kenniscentrum W&T Gelderland

Steeds vaker is de problematische relatie tussen onderwijsonderzoek en de onderzoekspraktijk aan de orde. Het zo getypeerde ‘eilandengedrag’ onderhoudt een onderzoek-praktijkkloof en voorkomt een ontmoeting waarin onderwijskundig onderzoek en de ervaringen en deskundigheid van leerkrachten in het basisonderwijs met elkaar verbonden worden. Want juist dan is innovatie kansrijk. De vakgroep Instructietechnologie aan de Universiteit van Twente vormt sinds 2008 samen met het Kenniscentrum Wetenschap en Techniek Gelderland en Iselinge Hogeschool, in het kader van het onderzoeksprogramma van het KWTG en een Europees onderzoeksproject genaamd ‘CoReflect’, een kennisgroep waarin onderwijskundigen, leerkrachten, pabostudenten, domeindeskundigen en lerarenopleiders kennis en ervaring bundelen. Het product: innovatieve lessenseries in dienst van Wetenschap & Techniek voor de bovenbouw van het basisonderwijs. De succesfactoren voor het opzetten en onderhouden van duurzame kennisgroepen blijft in de literatuur helaas vaak onderbelicht. Dit terwijl de noodzaak voor de verdere ontwikkeling en ondersteuning van het wetenschap- en techniekonderwijs in Nederland groter is dan ooit tevoren.

Naar artikel

Het beeld van de leraar: Over wijsheid en virtuositeit in onderwijs en onderwijzen

Gert Biesta, Univ. of Stirling, School of Education

Veel recente onderzoek- en beleidsliteratuur spreekt over onderwijs en onderwijzen in termen van leren. In deze bijdrage laat ik zien dat het spreken over onderwijs en onderwijzen in termen van leren het lastiger heeft gemaakt om aandacht te besteden aan de doelen en de inhoud van het onderwijs en aan het feit dat het in het onderwijs altijd om relaties draait. Hoe we die relaties vormgeven en welke inhouden we in het onderwijs aan de orde stellen hangt in hoge mate af van wat we met het onderwijs willen bereiken. Ik betoog dat er aan de vraag naar het doel van het onderwijs drie dimensies zijn te onderscheiden: kwalificatie, socialisatie en subjectivering. Het feit dat het vraagstuk van de doelen van het onderwijs multidimensioneel is, betekent dat leraren in staat moeten zijn om oordelen te vellen over wat, in een specifieke situatie, onderwijspedagogische gezien wenselijk is. Het vermogen om zulke oordelen te vellen, is geen vaardigheid of competentie maar een integrale kwaliteit van de pedagogische professional. De opleiding van leraren zou daarom aandacht moeten besteden aan de vorming van virtuositeit in het vellen van oordelen over wat onderwijspedagogisch gezien wenselijk is. Ik beschrijf beknopt hoe dit zou kunnen worden gedaan.

Naar artikel

Passend onderwijs: ‘Ja, maar…’ of ‘Yes, we can!’ ?

Marieke Cornelissen, Pabo Hs Utrecht & Inter-Actie, Rotterdam

In 2012 staat in Nederland de invoering van het zogenaamde ‘passend onderwijs’ gepland. Schoolbesturen krijgen de verantwoordelijkheid om elke leerling een passend onderwijsaanbod te bieden en waar nodig het onderwijs op de (zorg)leerling af te stemmen. In internationaal perspectief verschilt deze onderwijsvernieuwing van het zogenaamde inclusief onderwijs in andere landen waar deze verantwoordelijkheid bij scholen zelf ligt. Er is de afgelopen jaren veel discussie geweest over wat dit passend onderwijs nu eigenlijk is, of het daadwerkelijk een stap is richting inclusief onderwijs voor alle leerlingen en op welke manier deze vernieuwing gaat worden ingevoerd (Schuman, 2007). Onlangs deed minister Van Bijsterveldt het nodige extra stof opwaaien door haar bezuiniging op passend onderwijs aan te kondigen. Het mag duidelijk zijn dat voor een dergelijk vernieuwingsproces geen blauwdruk beschikbaar is, maar dat het vooral de kunst zal zijn om tijdens het proces naar de inclusie ook inclusief te blijven. Dat betekent dat alle betrokkenen een stem moeten krijgen en in het bijzonder de leraren. Zij moeten immers straks over de juiste competenties beschikken om passend onderwijs in de eigen onderwijspraktijk vorm te geven. Uit onderzoek van De Moor en Bakker (2009) blijkt dat deze competentiebeleving van de leraren een grote succesfactor is, omdat het hen de moed geeft om te werken met alle (zorg)leerlingen. Tegelijkertijd is bekend dat veel leraren hier tegen opzien en zich nog niet competent genoeg voelen (De Moor & Bakker, 2009; Nutbrown & Clough, 2004). In dit opiniestuk wordt verkend op welke manier deze leraren het beste ondersteund kunnen worden.

Naar artikel

Meester van mens en wereld

Henk Notté, Cito Arnhem | Roger Baltus, IPBAO Amsterdam

Basisschoolleraren dienen boven de leerstof te staan. Deze eis ligt voor de hand, maar er is zorg over het kennisniveau van aanstaande leraren. In 2005 stelde de minister een entreetoets voor Taal en Rekenen/wiskunde verplicht voor alle instromende pabostudenten. Veel pabo’s wilde daar ook de vakken van het leergebied Mens en Wereld (aardrijkskunde, geschiedenis en natuuronderwijs/techniek, ook wel zaakvakken genoemd) bij betrekken. Alleen zo kan gedurende de opleiding verder worden gewerkt om effectief boven de leerstof van de basisschoolleerlingen te komen. Ruim de helft van de pabo’s nam daarom zelf het initiatief voor een entreetoets Mens en Wereld.

Naar artikel

Mentorschap: van toevallige passagier naar copiloot?

Katrien Struyven, Vrije Univ. Brussel | Jacky Ieven, KH Limburg | Sanne Vrancken, KULeuven | Hilde Vanvuchelen, CVO LIMLO | Monique D’hertefelt, KH Limburg | Mieke Balcaen & Rita Romont, KH Kempen

Dit onderzoek heeft tot doel via semigestructureerde interviews (N=38) de verwachtingen over de rol van de mentor in de begeleiding en beoordeling van toekomstige leraren tijdens de praktijkstage in kaart te brengen vanuit het perspectief van de mentor en dat van de stagebegeleider. Resultaten geven aan dat mentorschap wordt ingegeven door twee bestaansredenen: ervaring als leerkracht en deskundigheid als begeleider. Beide factoren spelen een rol in de begeleiding en beoordeling die mentoren geven; met vaak onbedoelde effecten voor de evaluatie van de student. Bovendien is er onduidelijkheid over volgende vragen: Wat kenmerkt een goede mentor? Welke begeleiding en beoordeling wordt van hem/haar verwacht? Mentoren zijn momenteel veelal toevallige passagiers op een vlucht die wordt bepaald door het opleidingsinstituut. Een gedeeld opleidingsconcept echter promoveert de mentor tot een deskundig copiloot, die de route mee uitstippelt.

Naar artikel

De ‘Scholar’ geschoold: Opleiden van docenten voor het wetenschappelijk onderwijs

Harry van de Wouw, Gerard van de Watering, Lilian Halsema & Dirk-Jan Mulders, TU/e en betrokken bij BKO

Doel van dit artikel is te beschrijven hoe universiteiten door middel van gericht personeelsbeleid proberen de kwaliteit van hun onderwijs te verbeteren. We lichten dit toe aan de hand van een voorbeeld op de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e). In de zomer van 2007 is op twee faculteiten van de TU/e begonnen met de Basiskwalificatie Onderwijs (BKO). Via het BKO-traject worden docenten in didactisch opzicht gekwalificeerd voor het geven van wetenschappelijk onderwijs (WO). Voor de 50 deelnemers eindigde het traject, onafhankelijk van de door hen gekozen route, met de beoordeling van hun portfolio. We beschrijven het proces en de evaluatie van de ervaringen van de BKO-kandidaten, -docenten en -begeleiders. Aan de hand van de evaluatie wordt geconcludeerd dat de routes grotendeels voldoen. Het reflecteren op de eigen praktijk is lastig voor de kandidaten en het samenstellen van een portfolio is arbeidsintensief. De begeleiding speelt een grote rol bij het efficiënt opbouwen van een portfolio en het richten op de door de beoordelingscommissie gehanteerde criteria.

Naar artikel

Zelfsturing gaat niet vanzelf

Tonnis Bolks, Gereformeerde Hogeschool Zwolle | Marcel van der Klink, Open Univ. Nederland / Celstec

In dit artikel wordt verslag gedaan van een onderzoek naar zelfsturing van pabostudenten met als doel inzicht te krijgen in de manier waarop lerarenopleiders en eerstejaarsstudenten gedrag laten zien dat consistent is met de noties van zelfsturing. Door middel van een vragenlijst, observaties en focusgroepinterviews is onderzocht welke sturingsactiviteiten die studenten en hun lerarenopleiders uitvoeren. De gegevens maken duidelijk dat er sprake is van enige zelfsturing, maar ook dat zelfsturing nog niet daadwerkelijk als aandachtspunt in het curriculum is opgenomen. In de slotparagraaf worden de conclusies gepresenteerd en aanbevelingen gegeven voor de praktijk van de lerarenopleiding.

Naar artikel

Opleiden in de school: succesfactoren en bedreigingen

Ann Van Neygen & Rik Belmans, NVAO

In 2009 heeft de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) de kwaliteit beoordeeld van 83 opleidingsscholen in Nederland. Een opleidingsschool wordt hierbij gedefinieerd als een partnerschap van één of meer opleidingen voor leraren met één of meer scholen voor primair respectievelijk voortgezet en/of beroepsonderwijs. Deze beoordeling was voor alle actoren een intensief maar leerrijk proces. In dit artikel willen we de voornaamste factoren schetsen die een opleidingsschool tot een succes maken, alsook de daaraan gekoppelde bedreigingen. Vooraf geven we de context waarbinnen de NVAO deze beoordeling heeft uitgevoerd, de gevolgde procedure alsook de cijfermatige resultaten van deze beoordeling.

Naar artikel

Leraren en hun opleiders. Een pleidooi voor pedagogische professionaliteit

Wouter Pols, Hogeschool Rotterdam

Naar aanleiding van een casus stel ik in dit artikel vragen bij de professionaliteit van de leraar. Mijn stelling is dat de professionaliteit van de leraar een eigen aard heeft. Ik spreek over ‘pedagogische’ professionaliteit. Op grond hiervan zal ik een pleidooi houden voor pedagogische ‘Bildung’ van de leraar. Ik sluit het artikel af  met enkele opmerkingen over de consequenties daarvan voor het opleiden van leraren.

Naar artikel

Ontwikkeling van een checklist

Gerda Geerdink, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen | Martina van Uum, Eindhoven School of Education

Op Pabo Arnhem (lerarenopleiding primair onderwijs) konden studenten tot 2009 kiezen tussen een regulier studietraject waarin ze naast de theorieverwerving op de opleiding stage lopen op een basisschool. Een alternatieve keuze betreft het traject ‘opleiden in de school’ (oids) waarin het leren vooral praktijkgestuurd is en de basisschool medeverantwoordelijk is voor het opleiden van de toekomstige collega. De ontwikkelaars van het traject ‘opleiden in de school’ wilden graag een instrument (een checklist) om het kiezen te vergemakkelijken en om -zoveel als mogelijk- daarvoor ‘geschikte’ studenten op de ppleidingsscholen te kunnen plaatsen. De tweedeling in studietrajecten bestaat nog steeds, maar de keuze wordt minder aan studenten overgelaten en meer door opleiders bepaald. De opleiders van Pabo Arnhem hebben ervoor gekozen de checklist voorlopig niet te gebruiken omdat de toewijzing aan een van de twee studietrajecten niet altijd samenvalt met meer of minder geschikt zijn. Het instrument blijft desondanks waardevol, omdat het uitspraken doet over de mate waarin studenten in staat zijn hun leerproces zelf te sturen. Een competentie die voor opleiden in de school van belang is maar evenzeer binnen het reguliere traject. Bij de ontwikkeling van deze checklist is gebruikt gemaakt van theoretische inzichten en ervaringen uit de praktijk over studentfactoren, die ‘opleiden in de school’ of in het algemeen ‘werkplekleren’ positief beïnvloeden. In drie rondes is een proefversie van de checklist voorgelegd aan pabostudenten waarbij getest is op leesbaarheid, praktische bruikbaarheid, betrouwbaarheid en validiteit. Het ontwikkelde instrument geeft op drie schalen: houding, leeractiviteiten en leer-/werkomgeving aan of en hoe geschikt studenten zijn voor opleiden in de school.

Naar artikel

Zijn toekomstige leraren gek op techniek?

Kirsten Devlieger, Sofie Mertens & Hilde van Houte, Arteveldehogeschool Gent

Een innoverende samenleving heeft goed geschoolde wetenschappers en technici nodig. Daarnaast is het ook noodzakelijk dat alle leerlingen een gedegen minimum aan kennis en vaardigheden bezitten, met het oog op hun zelfontplooiing en om kritisch creatief te kunnen functioneren in de maatschappij van vandaag en morgen. Om dit te realiseren moeten leraren in staat zijn om techniek en wetenschap op een boeiende manier te stimuleren. De lerarenopleiding heeft hierin uiteraard ook een belangrijke taak. Om een leeromgeving te ontwikkelen, die toekomstige leraren uitdaagt om te onderzoeken, te ontwerpen en techniek te verkennen in zoveel mogelijk contexten, moet de beginsituatie achterhaald worden. Om dit te realiseren werd binnen het PWO-project ‘Gek op techniek?! 1 een vragenlijst ontwikkeld om het beeld, de interesse en het gedrag van studenten in de lerarenopleiding met betrekking tot techniek in kaart te brengen (PWO = Projectmatig Wetenschappelijk Onderwijs). Aan de lerarenopleiding de uitdaging om de visie van studenten op techniek als startpunt te nemen voor een boeiende leeromgeving.

Naar artikel

Vaststellen van didactische bekwaamheid tijdens de LIO-stage

Gerard J.J.M. Straetmans, Saxion Deventer en Cito Arnhem | Erik Roelofs, Cito Arnhem | Marit Peters, Univ. Twente, Onderwijsorg. en Managenment

Toetsen moeten valide scores opleveren. Elke docent kent deze belangrijkste te stellen kwaliteitseis aan onderwijskundige metingen. Maar er ‘iets’ mee doen in de eigen beoordelingspraktijk is een heel ander, lastiger verhaal. Dat geldt zeker als de te meten eigenschap verder reikt dan het memoriseren of begrijpen van kennis, zoals bijvoorbeeld het geval is bij de sinds enkele jaren populaire competenties. In dit artikel wordt voor een cruciale te verwerven competentie in de lerarenopleiding, de didactische bekwaamheid, nagegaan in hoeverre het aannemelijk is dat tegen het einde van de LIO-stage een valide beslissing genomen kan worden over de verwerving van deze competentie. Onderzocht is in hoeverre de beoordelingspraktijk tijdens de LIO-stage tegemoetkomt aan de kwaliteitseisen volgens Kane’s valideringsprocedure. Daartoe hebben 387 LIO’s en 105 stagebegeleiders afkomstig van 18 pabo’s en 59 mentoren van betrokken basisscholen gerespondeerd op schriftelijke vragenlijsten. De resultaten lijken aan te geven dat de beoordelingspraktijk tijdens de LIO-stage op diverse punten zwakheden vertoont die het nemen van valide beslissingen over didactische bekwaamheid in de weg staan.

Naar artikel