Tagarchief: 18_4

Ontwerp van een interdisciplinaire blended professionalisering voor pabo-opleiders taal en W&T

Anna Hotze & Edith Louman, Hogeschool iPabo
Martine Gijsel & Maaike Vervoort, Saxion
Sylvia Peters & Anneleen Post, Eduseries

Wetenschap en technologie (W&T) verdient meer aandacht in het basisonderwijs in Nederland en Vlaanderen, maar gezien het volle curriculum is dat niet eenvoudig. Integratie met andere domeinen, zoals taal, kan uitkomst bieden. Om aankomende leerkrachten op te leiden om geïntegreerd taal- en W&T-onderwijs te geven, is een interdisciplinair professionaliseringstraject voor pabo-opleiders taal en W&T ontwikkeld in de vorm van ‘blended leren’. In deze bijdrage beschrijven we het ontwerp hiervan en de ervaringen ermee in de praktijk.

Naar artikel

Blended Learning in de lerarenopleiding: van governance tot transitie

Andy Thys, CVO De Oranjerie & KU Leuven
Bram Pynoo, Vrije Universiteit Brussel
Jo Tondeur, Vrije Universiteit Brussel & Universiteit Gent

De lerarenopleiding in Vlaanderen wordt grondig hervormd: lerarenopleiding worden ingeschaald op Bachelor en Masterniveau met als gevolg dat de lerarenopleidingen in Centra voor Volwassenenonderwijs (CVO) indalen in hogescholen en  universiteiten. Om dit transitieproces te faciliteren werden door de Vlaamse Overheid middelen voorzien om transitieprojecten te financieren. Dit artikel geeft een helikopterzicht over het intensief proces dat gelopen werd binnen het Brusselse samenwerkingsverband EduXL door lerarenopleiders uit vier verschillende opleidingen (én instellingen) in het kader van het transitieproject GO21. Binnen het hier geschetste project staat de vraag centraal: Hoe kunnen we een gedeelde visie op ’blended learning’ ontwikkelen?
In een eerste deel wordt er aandacht besteed aan de context en de gebruikte terminologie (vb. transitie, ’blended learning’ en governance). Hierbij aansluitend worden in een tweede deel de percepties van lerarenopleiders ten aanzien van ’blended learning’ in Vlaanderen in kaart gebracht. Hiertoe werd een vragenlijstonderzoek gevoerd waartoe alle Vlaamse lerarenopleidingen werden uitgenodigd. Dit onderzoek toont aan dat er grote verschillen zijn tussen types lerarenopleidingen met betrekking tot ’blended learning’ en de mate waarin er reeds een beleid rond ’blended learning’ of de integratie van 21e eeuwse vaardigheden uitgewerkt is. Vervolgens toont dit artikel hoe een tweetal ontwikkelde instrumenten (QuickScan en Pilootmodule) kunnen bijdragen aan de zoektocht naar een gemeenschappelijke visie (op Blended Learning). Een uitleiding probeert een aantal acties (en aspiraties) voor de toekomst mee te geven.

Naar het artikel

Opleiden voor de toekomst: hoe praten over onderzoek professionele ruimte creëert

Hanna Westbroek, Bregje de Vries, Wilma Jongejan, Anna Kaal & Iris Pauw, Vrije Universiteit Amsterdam, Universitaire lerarenopleiding

In deze bijdrage houden we een pleidooi voor het verruimen van de blik op onderwijsonderzoek:
naast onderzoek dóen, kan práten over onderzoek de essentie zijn voor het slaan van een effectieve brug tussen onderwijsonderzoek en daarop gebaseerde of daardoor geïnspireerde vernieuwingen in de eigen onderwijspraktijk. Onderwijsonderzoek vormt een belangrijke motor voor vernieuwing. Als lerarenopleiders van de eerstegraads lerarenopleiding van de VU ontwikkelden we een nieuw vak gericht op het leren waarderen en gebruiken van onderwijsonderzoek. Het vak past wat ons betreft in een visie op het leraarschap waarin docenten zelfverantwoordelijk zijn, beslissingskracht hebben, en kennis uit onderzoek gebruiken bij het onderbouwen en uitwerken van hun onderwijs.
In het nieuwe vak staan twee ontwerpprincipes centraal: 1) het maken van een visuele representatie van een representatieve les, en de doelen die de docent-in-opleiding aan de lesonderdelen verbindt (het doelsysteem van een representatieve les); 2) gerichte dialoog
over kwaliteit en praktische bruikbaarheid van onderzoeksartikelen en vakbladartikelen. We gaan eerst kort in op de waargenomen kloof tussen onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk, en spitsen dat toe op de vraag wat praktische bruikbaarheid van onderzoek betekent vanuit het perspectief van docenten. Vervolgens laten we zien hoe we dit concept operationaliseren in werken met het doelsysteem. We bespreken vervolgens de twee ontwerpprincipes aan de hand van de casus van Jamila, een docente-in-opleiding Engels. Evaluatiegegevens laten zien dat de docenten-in-opleiding het vak overwegend positief waarderen en dat de leerdoelen over het algemeen behaald worden.

Naar artikel

Een opleiding vol innovatie: een leerlijn onderzoekend handelen

Kaat Verhaeghe, Bert Wastijn & Geert De Raedemaeker
Erasmushogeschool Brussel

Lerarenopleidingen kunnen hun studenten niet alles bijbrengen wat ze later in de complexe onderwijspraktijk nodig hebben. Een snel veranderende samenleving wordt het toneel waarop leerkrachten spelen. Deze samenleving wordt weerspiegeld door een groeiende kenniseconomie, boeiende uitdagingen, digitale werelden, een  veranderend kindbeeld… Dit vraagt een basishouding die niet als vanzelfsprekend kan worden aangenomen. Onderzoek naar innovatie is cruciaal voor deze professional om zicht te krijgen op de praktijk en die blijvend te vernieuwen. De recente opleiding  Pedagogie van het jonge kind (PJK) aan de Erasmushogeschool kiest daarom resoluut voor een leerlijn onderzoekend handelen die innovatie in de praktijk centraal zet door praktijkgericht onderzoek met studenten, werkveld en docenten te realiseren. Het artikel vertrekt vanuit de context van de lerarenopleidingen en de opleiding PJK binnen het departement Onderwijs en Pedagogie aan Erasmushogeschool Brussel. Daarna komt de leerlijn Ontwikkelen door Onderzoeken binnen de opleiding PJK aan bod en wordt beschreven hoe deze leerlijn opgesplitst over drie deeltrajecten heen, de student aanzet tot mini-onderzoeken en een praktijkgerichte en innoverende bachelorproef samen met het werkveld. Hierbij gaat de aandacht zowel uit naar de  expliciete inbedding als de impliciete verankering binnen de opleiding. Ook de vertaling van de leerlijn naar de lerarenopleidingen komt aan bod.
Tot slot wordt het praktijkvoorbeeld afgesloten met enkele kritische reflecties. Deze hebben als doel de onderzoekende praktijk in hogescholen in vraag te stellen. Ze willen inspireren, sterktes tonen en de valkuilen aanraken. Deze vragen vormen het einde, maar ook een nieuw begin van de innovatiecyclus.

Naar artikel

Mbo-docenten toekomstgericht opleiden door samen te werken en te leren

Marloes van Bussel, MBO Raad Woerden & CINOP, ’s Hertogenbosch
Patricia Brouwer, ECBO, ’s Hertogenbosch
Monique de Ridder, Windesheim Zwolle
Ilya Zitter, Hogeschool Utrecht

Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) neemt van oudsher een belangrijke sleutelpositie in op de arbeidsmarkt. Nauw verbonden met het regionale bedrijfsleven voorziet ze in de behoeftes die deze bedrijven hebben op het gebied van het opleiden van praktisch opgeleide medewerkers. Al jaren is de arbeidsmarkt echter enorm in beweging; denk alleen al aan technologische ontwikkelingen als ‘artifical intelligence’ en robotisering (Koolmees & Van Engelshoven, 2018) of aan de toenemende behoefte aan complexe zorg voor het groeiend aantal ouderen. Dit heeft zijn weerslag op de arbeidsmarkt en er is hierdoor grote behoefte aan wendbare vakmensen (Coenders, 2016). Onstenk en Van Veldhuizen (2017) stellen dat leren in de praktijk een belangrijke voorwaarde is voor de ontwikkeling van vakmanschap. Het leren en de begeleiding van leren, dat in het beroepsonderwijs plaatsvindt op school én op de werkplek (Aalsma, 2017), maakt het mogelijk in te spelen op de veranderingen op de arbeidsmarkt. Ontwikkelingen in de maatschappij hebben door deze integrale aanpak van werken en leren consequenties voor het mbo, mbo-docenten en dientengevolge ook voor de lerarenopleiding voor mbo-docenten.
Om deze dynamische interactie tussen maatschappij, beroepspraktijk en mbo beter vorm te geven, zijn de afgelopen jaren meerdere initiatieven gestart voor het verbeteren van het opleiden van mbo-docenten. In dit artikel bepleiten we dat, hoewel er belangrijke stappen gezet zijn, deze verbetering in de lerarenopleiding van mbo-docenten nog verder vorm kan krijgen. Om mbo-docenten van de toekomst goed op te kunnen leiden is het noodzakelijk dat de beroepscontext sterker bij de lerarenopleiders en lerarenopleidingen terug te vinden is en continu wordt aangepast aan de dynamiek van de beroepenwereld. Het model van ‘boundary crossing’ (Akkerman & Bakker, 2011) biedt goede inzichten hoe vanuit samenwerking de aansluiting met de beroepspraktijk beter kan. Inzichten die zowel vruchtbaar zijn voor de lerarenopleidingen en hun onderwijspraktijk als voor de mbo-opleidingen en hun beroepspraktijk. In dit artikel schetsen we eerst hoe het mbo in die dynamische context eruitziet. Daarna lichten we toe wat een mbo-docent moeten kunnen en kennen om in deze context goed mbo-onderwijs te kunnen verzorgen. Tot slot laten we zien hoe  lerarenopleidingen en mbo-scholen gezamenlijk met behulp van ‘boundary crossing’ mbo-docenten daartoe goed kunnen voorbereiden.

Naar artikel

De leraar aan het stuur

Empowerment van leraren in de praktijk

Leo van Hoorn & Jan Marten Praamsma, Christelijke Hogeschool Ede

In de Master Leraar Godsdienst/Levensbeschouwing aan de Christelijke Hogeschool Ede,volgen de studenten het  studieonderdeel ‘schoolontwikkelingsproject’. In deze module leren studenten hoe ze de rol van ‘change agent’ kunnen vervullen in de school. Studenten gaan zelf aan de slag in de school en ontdekken zo dat organisaties, protocollen en systemen geen autonome structuren zijn, die slechts onderwerping en gehoorzaamheid vragen, maar dat ze daar zelf sturing aan kunnen geven en zo mede regisseur kunnen zijn.
Ook ervaren ze daarin de frustratie van de traagheid van processen, de moeite om die processen in beweging te krijgen en de resultaten te verduurzamen, de noodzaak om de randvoorwaarden te creëren om te kunnen veranderen, de vreugde en het verdriet van de samenwerking met collega’s en leidinggevenden. Studenten leren bovendien onderscheid te maken tussen onderwijsvernieuwing en onderwijsverbetering door verandering niet op te vatten als een technische operatie, maar voortdurend expliciet te blijven verbinden met onderliggende visie op goed onderwijs. Maar vooral ontdekken ze dat het de moeite waard is om te dromen, te experimenteren en onderwijs beter te maken. Zo werken we gezamenlijk aan empowerment, het nemen van eigen verantwoordelijkheid, professionele kracht en beroepstrots.

Naar artikel

Onderwijsvernieuwing is een werkwoord

Opleiden voor geëngageerde vernieuwingspraktijken

Geert Kelchtermans, KU Leuven, Centrum voor Onderwijsvernieuwing en de Ontwikkeling van Leraar en School (COOLS)

Lerarenopleiders staan voor de taak hun studenten voor te bereiden op de spanning tussen verandering en stabiliteit die het onderwijsveld typeert. Tijdens hun loopbaan worden
leraren immers onontkoombaar geconfronteerd met onderwijsvernieuwingen. Op basis van eigen en internationaal onderzoek, analyseert de auteur het fenomeen  onderwijsvernieuwing, dat hij omschrijft als “het proces van het doelgericht veranderen van onderwijsleerpraktijken of de condities die de vormgeving ervan bepalen, met de bedoeling het onderwijs en de vorming van de betrokken leerlingen of studenten te verbeteren.”
Achtereenvolgens bespreekt hij het praktijk- en proceskarakter van vernieuwingen, de centrale rol van betekenisgeving en normativiteit en de tijd-ruimtelijke context waarin ze altijd gesitueerd zijn. In de weerstand tegen vernieuwingen worden die verschillende elementen en hun samenhang concreter geïllustreerd. Concluderend stelt de auteur dat leraren in hun implementatiepraktijken altijd een feitelijk antwoord geven op een welbepaalde reeks vragen: normatieve, politieke, strategische, creatieve, effectiviteits- en verklaringsvragen.
Vervolgens schetst de auteur hoe deze vragenreeks leidraad en structuur kan bieden voor de praktijk in de initiële lerarenopleiding. Hij breekt eerst een lans voor het reflectief modelleren door lerarenopleiders van hun eigen praktijk in het omgaan met vernieuwingen.
Een volgende stap is het maken van gevalsanalyses van de  vernieuwingspraktijken van ervaren leerkrachten als een oefening in brede en diepe reflectie. Tenslotte bespreekt hij hoe de eigen vernieuwingspraktijk -bijvoorbeeld tijdens stages- studenten toelaat hun inzicht te verdiepen. De concrete ervaring en kritische analyse van onzekerheid, onbehagen, loyaliteitsconflicten, bedoelde en onbedoelde neveneffecten…, vormen evenveel krachtige kansen om hun professionaliteit te ontwikkelen. Onderwijsvernieuwing blijft een werkwoord.

Naar artikel