In de ban van het opleiden

Mieke Smits, SLO Enschede

De lerarenopleidingen basisonderwijs hebben de laatste jaren grote veranderingen doorgemaakt. Veel Pabo’s hebben inmiddels de omslag gemaakt van vakkengesplitst naar thematisch werken om de interne consistentie en samenhang van onderdelen te waarborgen. Vakdocenten zijn opleidingsdocenten gaan heten. Samenwerken staat hoog in het vaandel. Opleiders zijn breed inzetbaar en krijgen verschillende rollen toegedicht. In plaats van de oude rol van alwetende kennisoverdrager is de moderne opleider begeleider, faciliteerder en manager van leerprocessen. De opleider, ook wel opleidingsdocent genoemd op de Pabo, organiseert een rijke leeromgeving waarbinnen de leraar-in-opleiding actief en in samenwerking met anderen kennis opbouwt (Lamberigts e.a., 1999) Opvallend is de terugtredende rol van de opleider. Is dat nu gemakkelijker of moeilijker, zo’n terugtredende rol? Welke competenties horen bij deze nieuwe rol? Beschikken alle opleiders zonder meer over dezelfde competenties, ongeacht hun achtergrond? Begeleiden we studenten met allemaal hetzelfde beeld voor ogen van de startbekwame leraar? Een startbekwame leraar die in staat is basisschoolleerlingen op maat taal-, reken-, geschiedenisonderwijs (en al die andere schoolvak-inhouden) te laten leren volgens moderne inzichten? Allemaal vragen die opkomen bij de nieuwe invulling van opleiden. Vragen die in de TRiOS (Taal en Rekenen in opleidingsdidactische samenhang) ontwikkelgroep centraal stonden (Blom & Smits, 1998). Vragen waarop we geen pasklare antwoorden hebben kunnen geven, maar waarover we wel discussie of liever een reflexieve dialoog moeten voeren. Een dialoog die ons wellicht verder brengt in het benoemen van bekwaamheden of competenties van de opleidingsdocent en de betekenis van iemands vakinhoudelijke achtergrond bij de invulling van het werk.

Naar artikel