Passend onderwijs: ‘Ja, maar…’ of ‘Yes, we can!’ ?

Marieke Cornelissen, Pabo Hs Utrecht & Inter-Actie, Rotterdam

In 2012 staat in Nederland de invoering van het zogenaamde ‘passend onderwijs’ gepland. Schoolbesturen krijgen de verantwoordelijkheid om elke leerling een passend onderwijsaanbod te bieden en waar nodig het onderwijs op de (zorg)leerling af te stemmen. In internationaal perspectief verschilt deze onderwijsvernieuwing van het zogenaamde inclusief onderwijs in andere landen waar deze verantwoordelijkheid bij scholen zelf ligt. Er is de afgelopen jaren veel discussie geweest over wat dit passend onderwijs nu eigenlijk is, of het daadwerkelijk een stap is richting inclusief onderwijs voor alle leerlingen en op welke manier deze vernieuwing gaat worden ingevoerd (Schuman, 2007). Onlangs deed minister Van Bijsterveldt het nodige extra stof opwaaien door haar bezuiniging op passend onderwijs aan te kondigen. Het mag duidelijk zijn dat voor een dergelijk vernieuwingsproces geen blauwdruk beschikbaar is, maar dat het vooral de kunst zal zijn om tijdens het proces naar de inclusie ook inclusief te blijven. Dat betekent dat alle betrokkenen een stem moeten krijgen en in het bijzonder de leraren. Zij moeten immers straks over de juiste competenties beschikken om passend onderwijs in de eigen onderwijspraktijk vorm te geven. Uit onderzoek van De Moor en Bakker (2009) blijkt dat deze competentiebeleving van de leraren een grote succesfactor is, omdat het hen de moed geeft om te werken met alle (zorg)leerlingen. Tegelijkertijd is bekend dat veel leraren hier tegen opzien en zich nog niet competent genoeg voelen (De Moor & Bakker, 2009; Nutbrown & Clough, 2004). In dit opiniestuk wordt verkend op welke manier deze leraren het beste ondersteund kunnen worden.

Naar artikel